Cosmetische oplossing voor status quo

Donderdag 17 maart 2016 staat de reeds lang aangekondigde evaluatie van het stedelijk toelatingsbeleid basisonderwijs op de agenda van de gemeenteraadscommissie Jeugd en Cultuur. De resultaten steken gunstig af bij de lotingen in het voortgezet onderwijs. De evaluatie leidt tot enkele praktische aanpassingen, maar niet tot wijzigingen waar ouders om gevraagd hadden.

Een jaar stedelijk toelatingsbeleid in werking

In 2014 werd het stedelijk toelatingsbeleid door de basisschoolbesturen vastgesteld, januari 2015 ging het van start. Ruim 200 basisscholen deden mee, 11 scholen niet (voornamelijk éénpitters, schoolbesturen met één school, in Zuid). In de zomer is er een tussentijdse evaluatie geweest waarbij naar de communicatie is gekeken. Dit is de eerste keer waarin de werking van het toelatingsbeleid door de schoolbesturen wordt geëvalueerd.

Resultaten ogen beter dan bij toelating voortgezet onderwijs

Bij de schoolkeuze van een basisschool is 93% van de ruim achtduizend kinderen op de eerste voorkeur terecht gekomen, 97% in de top 3. Deze percentages liggen aanzienlijk hoger dan de percentages bij de overstap van het primair onderwijs (PO) naar het voortgezet onderwijs (VO), respectievelijk 82% en 95%.

Wellicht kunnen verschillen in ‘overmaat’ (leegstand) de verschillen tussen de lotingresultaten in het PO en VO gedeeltelijk verklaren. Wat ook meespeelt is dat in het VO scholen in de hele stad met elkaar concurreren, terwijl in het PO voornamelijk ’buurtscholen’ met elkaar concurreren.

De maatschappelijke discussie over het lotingsysteem in het voortgezet onderwijs heeft ook geleerd dat ’Boston’, het lotingsalgoritme dat het basisonderwijs gebruikt, een ’cosmetisch effect’ heeft. Bij Boston moeten ouders een strategische keuze maken: durf ik mijn echte voorkeur te volgen met het risico dat mijn tweede voorkeur vol is? Of zie ik vrijwillig af van mijn eerste voorkeur en kies ik meteen voor mijn tweede voorkeur nu ik daar nog een grote kans heb?

In het VO wordt een ander lotingsysteem gebruikt, waarbij ouders veilig hun echte voorkeur kunnen opgeven. Daarbij worden meer (!) mensen op hun ‘echte’ voorkeuren geplaatst dan bij ‘Boston’, maar de prijs daarvoor is wel dat er meer (!) leerlingen uitgeloot. Dat oogt minder gunstig en dat kan een overweging zijn voor schoolbesturen.

Enquêtes

Er zijn twee enquêtes afgenomen onder ouders. Driekwart van de ouders blijkt positief of neutraal tegenover het stedelijk toelatingsbeleid basisonderwijs te staan. 18% oordeelt negatief volgens een rapport van Direct Research (in opdracht van de schoolbesturen), 25% oordeelt negatief volgens het rapport ‘Wat vinden ouders?’ van OIS (in opdracht van de gemeente). In ieder geval ligt het percentage negatief oordeel hoger dan de 3% van de ouders waarvan het kind niet in de top 3 geplaatst werd.

Wethouder Simone Kukenheim haalt in haar brief van 26 februari 2016 twee verbeterpunten uit de enquêtes naar voren:

  • transparantie over de beschikbaarheid van plaatsen (zodat ouders hun kansen beter kunnen inschatten)
  • deelname van de elf scholen die tot nu toe een apart toelatingssysteem hanteerden

Nog geen inzicht in stand aanmeldingen

De oudergroep Ouders voor keuzevrijheid basisonderwijs Amsterdam heeft gevraagd om inzicht in de stand van (voorrangs)aanmeldingen, zodat ouders hun kansen kunnen inschatten. Aan deze wens wordt nog niet voldaan. De schoolbesturen blijken wel bereid de capaciteit per school te publiceren en aan te geven of in het voorgaande jaar geloot is of niet, maar ze zijn bang dat ’dagstanden’ over de aanmeldingen onrust veroorzaken en fouten bevatten.

Moeten ouders met dat antwoord genoegen nemen? Als de stand ’per dag’ te moeilijk is, waarom dan niet wekelijks? En waarom zijn de effecten van het vervroegen van de sluitingsdatum voor voorrangsleerlingen niet onderzocht?

Deelname alle scholen

De scholen die tot nu toe nog niet meededen waren van plan pas in 2017 hun beleid te evalueren. Nu wordt bekeken of er in 2016 al begonnen kan worden met aanmelding via het stedelijke systeem, de loting wordt dan voorlopig nog apart uitgevoerd.

Praktische verbeterpunten

Een praktisch probleem wat wordt rechtgetrokken is de afstandsberekening voor de buurtvoorrang. Vanaf nu wordt rekening gehouden met het feit dat sommige scholen hun voordeur aan de openbare weg hebben en andere scholen hun voordeur aan een groot schoolplein.

Scholen die geloot hadden mochten alleen uitgelote 1e voorkeurskinderen aannemen (een soort reservelijst die geldig bleef tot de 4e verjaardag). Het kwam voor dat door verhuizingen toch plekken openbleven die dan niet met lagere voorkeurskinderen gevuld mochten worden, dat mag vanaf nu wel.

Misschien komt er ook meer zekerheid voor ouderinitiatieven: zodat opgegeven voorkeuren gelden als blijkt dat er onvoldoende belangstelling is voor een ouderinitiatief. Hier nemen de schoolbesturen nog een beslissing over.

Ook denken de schoolbesturen op verzoek van de wethouder nog na over de mogelijkheid van een ouderplatform.

Variaties op algoritme onderzocht

Tot nu toe is gewerkt met ’getrapt Boston’ als lotingsysteem. Dat wil zeggen dat eerst de 1e t/m de 10e voorkeur geplaatst wordt van leerlingen met buurtvoorrang, voordat leerlingen van buiten de buurt aan de beurt komen.

Onderzocht is wat ’ongetrapt Boston’ zou doen, waarbij eerst de 1e voorkeur van ouders met buurtvoorrang, dan de 1e voorkeur van ouders zonder buurtvoorrang, en dan pas de 2e voorkeur van ouders met buurtvoorrang geplaatst worden (en zo verder).

In een ander experiment werd doorgerekend wat er gebeurt als ’conceptscholen’ een percentage van hun capaciteit reserveren voor kinderen zonder buurtvoorrang. Merkwaardig genoeg is dit alleen onderzocht voor ‘conceptscholen’ en niet voor alle scholen.

Beide experimenten gaven een verschuiving ten koste van leerlingen met buurtvoorrang en ten gunste van leerlingen zonder buurtvoorrang.

Balans tussen buurtvoorrang en keuzevrijheid

Het toelatingsbeleid is een kwestie van balans tussen buurtvoorrang én keuzevrijheid. Verzwaring van de buurtvoorrang betekent een afzwakking van keuzevrijheid en omgekeerd. Het zwaartepunt ligt nu bij de buurtvoorrang. Een verschuiving naar meer keuzevrijheid voor ouders zonder buurtvoorrang gaat ten koste van de grote groep die de buurtvoorrang volgens de tevredenheidsenquête zegt te waarderen. Aldus de voorzitters van het BBO (overlegorgaan schoolbesturen basisonderwijs), in de brief van het BBO over verbetervoorstellen STB van 17 februari 2016, waarin wel een aantal andere praktische verbeterpunten worden opgesomd.

De projectleider van de werkgroep Toelatingsbeleid concludeerde in (p. 4) van de ‘Verkenning mogelijkheden verbetering toelatingsbeleid‘ van 10 februari 2016 al dat wijziging van het lotingsalgoritme meer nadelen dan voordelen heeft:

“Hoe groot de groep ouders is, die de voorkeur geeft aan een niet-voorrangsschool is gissen. Uit het OIS-rapport blijkt dat 10% van de ouders een strategische keuze heeft gemaakt (> 800 kinderen). Wanneer deze ouders een niet-buurtschool op hun 1e voorkeur gaan zetten, zullen de plaatsingscijfers in ernstige mate verslechteren en het aantal uitgelote kinderen aanzienlijk stijgen (inschatting tot 7% lager op 1ste voorkeur).”

Dat bij deze ‘verslechterde’ score meer ouders hun echte voorkeur opgegeven en minder vaak strategisch kiezen wordt niet meegenomen in de afweging. Het BBO kiest daarmee voor een cosmetische oplossing om de status quo te bewaren.

Het is nog de vraag hoe hoogopgeleide ouders die in vernieuwde wijken toegang willen tot conceptscholen deze status quo zullen waarderen. Wanneer is het volgende evaluatiemoment? Kan de stad het zich permitteren om deze minderheidsgroep te blijven negeren? Is de prikkel van deze hoogopgeleide ouders niet ook heel waardevol voor de laagopgeleide ouders, die de onderwijsaanbieders veel minder snel in beweging kunnen krijgen?

Stedelijke functie

In de brief van het BBO komt de stedelijke functie die sommige scholen vervullen niet expliciet aan bod. In de verkenning naar verbeterpunten wordt wel overwogen om alle scholen met “uitsluitende criteria” (zoals islamitische, gereformeerde en joodse scholen) een stedelijke functie te geven. De stedelijke functie zou ook een oplossing kunnen zijn voor ‘conceptscholen’ waarvan het concept zeldzaam is. Er staan in de stad veel Montessorischolen, maar het aantal Jenaplanscholen of Vrijescholen is schaars. Ook nieuwe scholen, geboren uit de ‘kraamkamer’ van het project Onze Nieuwe School, zijn waarschijnlijk gebaat bij een stedelijke functie. De wethouder schrijft in haar brief dat ze nog over zo’n stedelijke functie nadenkt.

Zie voor alle stukken en rapporten de agenda van de raadscommissie JC voor 17 maart 2016.

Eén reactie

  • Gepost door Johan op 15 maart 2016 om 11:07 | Permalink

    Reactie op onderstaande quote: nee, de gemeente kan deze groep niet negeren want deze groep vertrekt uit de stad.

    Quote: “Het is nog de vraag hoe hoogopgeleide ouders die in vernieuwde wijken toegang willen tot conceptscholen deze status quo zullen waarderen. Wanneer is het volgende evaluatiemoment? Kan de stad het zich permitteren om deze minderheidsgroep te blijven negeren? Is de prikkel van deze hoogopgeleide ouders niet ook heel waardevol voor de laagopgeleide ouders, die de onderwijsaanbieders veel minder snel in beweging kunnen krijgen?”

Reageren?

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*