Ouders aan het woord over beleidswijziging voorschool

De verplichte eigen bijdrage blijkt in de praktijk een belangrijke reden voor ouders om hun kind van de voorschool te halen, maar ook gebrekkige aansluiting op schooltijden in gezinnen met meer kinderen vormt een praktisch probleem. Verder lijkt er in sommige gevallen bij ouders onduidelijkheid te bestaan over het verkrijgen van toeslagen van rijk of gemeente.

Uittreksel door OCO van het afstudeeronderzoek ‘De gevolgen van de beleidswijziging bij de voorschool in Amsterdam: Ouders aan het woord’ van Stef Blaauw, Hogeschool van Amsterdam, Sociaal-Juridische Dienstverlening. Door de harmonisatie binnen de kinderopvang en het nieuwe Amsterdamse voorschoolbeleid zijn er veel dingen voor ouders veranderd per 1 januari 2018. Het aantal uren is uitgebreid, er wordt een eigen bijdrage gevraagd en ouders kunnen gebruik maken van een toeslag van het rijk of van de gemeente als tegemoetkoming in de kosten. Stef Blaauw heeft als afstudeeropdracht voor zijn opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening aan de Hogeschool van Amsterdam onderzoek gedaan voor OCO naar deze veranderingen. Doel was een eerste indruk te krijgen van de feitelijke financiële gevolgen voor ouders en van de ervaringen van ouders met de veranderingen. Voor de website van OCO is een samenvatting gemaakt waarbij de indeling van het onderzoek is aangehouden, omwille van de leesbaarheid is in de samenvatting de nadruk gelegd op de praktische quotes van ouders. 

1. Onderzoeksvragen en onderzoeksopzet

Wat zijn de sociaal economische gevolgen van het verdwijnen van een kosteloos voorschoolaanbod voor de verschillende Amsterdamse gezinstypen waarvan hun kinderen naar de voorschool gaan in de gemeente Amsterdam?

Deelvragen:

  • Wat zijn de financiële gevolgen van de beleidswijziging voor de 18 Amsterdamse gezinstypen?
  • Wat is het nut van een voorschool volgens de ouders?
  • Welke gevolgen van de beleidswijziging ervaren ouders als positief?
  • Welke gevolgen van de beleidswijziging ervaren ouders als negatief?
  • Wat voor argumenten hebben ouders om hun kind op de voorschool te laten of er vanaf te halen naar aanleiding van de beleidswijziging?

Het onderzoek is een combinatie van deskresearch en diepte-interviews met ouders. De ouders voor het onderzoek zijn met name geworven via social media. Hun inbreng is anoniem verwerkt. Er zijn twaalf ouders gesproken over hun ervaringen met de voorschool en de veranderingen. Vijf interviews hebben telefonisch plaatsgevonden, de andere face-to-face. De respondenten waren divers wat betreft inkomen, stadsdeel, aantal kinderen en het al dan niet hebben van een VVE-indicatie voor hun kind op de voorschool. Hoewel het een diverse groep ouders betrof, betreft het een kwalitatief onderzoek. De resultaten zijn met name informatief voor de ‘verhalen achter de cijfers’. Het betreft geen representatief onderzoek waaruit conclusies kunnen worden getrokken voor de hele groep ouders met kinderen op de voorschool.

2. Juridisch kader en harmonisatie

Sinds 1 januari 2018 hebben er enkele wijzigingen in de wetgeving rond de voorschool plaatsgevonden. Zo zijn de Wet Kinderopvang en de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang gewijzigd en is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk van kracht. Naar aanleiding van deze wijzigingen heeft de gemeente Amsterdam haar beleid voor de voorschool gewijzigd, met als doel om elke peuter de mogelijkheid te bieden om zich spelenderwijs te kunnen ontwikkelen (Eén voorziening voor alle Amsterdamse peuters, beleidsplan 2018-2022, 2017).

De Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk stelt peuterspeelzalen gelijk aan kinderdagverblijven. Zo is in deze nieuwe wet geregeld dat aanvragen voor de peuterspeelzaal beschouwd worden als een aanvraag voor het kinderdagverblijf. Bij een peuterspeelzaal was een oudercommissie geen verplichting. Met deze nieuwe wet wordt dit voor kinderdagverblijven die vóór 2018 een peuterspeelzaal waren wel een verplichting, zij krijgen zes maanden de tijd om een oudercommissie in te stellen. Ook geldt het handhavingsmiddel, wat al van toepassing was op kinderdagverblijven vóór 2018, nu ook voor de in het verleden opgerichte peuterspeelzalen. Tot slot gelden de eisen voor het mogen exploiteren van een kinderdagverblijf ook voor de voormalige peuterspeelzalen.

3. Eigen bijdrage

Amsterdamse ouders zijn vanaf 2018 een verplichte inkomensafhankelijke eigen bijdrage gaan betalen voor de voorschool. De inkomensafhankelijke eigen bijdrage varieert van minimaal €22,20 tot maximaal €246,79 per maand bij de standaard opvang van 15 uur per week, gedurende een contractperiode van 40 weken. Deze eigen bijdrage dekt het resterend deel van de kosten van de voorschool na het recht op kinderopvangtoeslag van het rijk of de gemeentelijke toeslag.

Of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag is geregeld in paragraaf 2 van de Wet Kinderopvang. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van de draagkracht van de ouders (het gezamenlijk jaarinkomen) en de kosten van de kinderopvang per kind, een en ander is geregeld in het Besluit Kinderopvangtoeslag. De volgende ouders kunnen kinderopvangtoeslag aanvragen bij de Belastingdienst:

  • Werkende ouders;
  • Ouders die re-integreren op de arbeidsmarkt;
  • Studerende ouders;
  • Ouders die een inburgeringstraject volgen.

Voor de ouders die niet in aanmerking komen voor de kinderopvangtoeslag van de rijksoverheid, stelt de gemeente een gemeentelijke toeslag beschikbaar, met dezelfde financiële berekening. Daardoor maakt het voor ouders financieel niet uit of ze de gemeentelijke toeslag of de kinderopvangtoeslag van het rijk ontvangen.

Er is een overgangsregeling ingezet voor ouders waarvan een kind vóór februari 2017 al op de voorschool zat. Deze ouders betalen geen eigen bijdrage. Hiermee wil de gemeente bereiken dat zittende kinderen niet halverwege de contractperiode van de voorschool worden gehaald.

4. De onderzoeksresultaten: financiële gevolgen

4.1 Wat zijn de financiële gevolgen van de beleidswijziging voor de verschillende Amsterdamse gezinstypen?

De gemeente Amsterdam stelt een rekenmodule beschikbaar om de inkomensafhankelijke eigen bijdrage te berekenen voor de kosten van de voorschool. In deze rekenmodule komen verschillende factoren aan bod die invloed hebben op de hoogte van deze eigen bijdrage en op welke vorm van vergoeding men aanspraak kan maken. Hierbij gaat het om factoren als: wel of niet werken, een traject tot werken, een studie of een inburgeringstraject volgen, het aantal uren werk per week, het (gezamenlijk) bruto jaarinkomen, aantal uren kinderopvang per week, uurtarief van de voorschool, het wel of niet hebben van een voorschoolindicatie en het aantal kinderen in een gezin dat naar de voorschool gaat. Al deze factoren hebben invloed op de hoogte van de eigen bijdrage en op de vraag of de ouder een tegemoetkoming in de kosten krijgt van de rijksoverheid of van de gemeente.

Ouders kunnen een vergoeding krijgen via twee wegen, namelijk via de Belastingdienst (kinderopvangtoeslag) of via de gemeente (gemeentelijke toeslag). Volgens de Wet Kinderopvang heeft een ouder recht op kinderopvangtoeslag als die werkt, een traject volgt naar werken, of een studie of inburgeringscursus volgt. Deze ouders krijgen een factuur van de totale maandkosten van de voorschool. Zij verrekenen dit zelf met de kinderopvangtoeslag welke zij ontvangen van de Belastingdienst.

Wanneer een ouder geen recht heeft op kinderopvangtoeslag via de Belastingdienst ontstaat recht op de gemeentelijke toeslag. Deze gemeentelijke toeslag is gelijk aan de hoogte van de kinderopvangtoeslag van het rijk. Het verschil zit hem in de aanvraagroute. Wanneer ouders geen recht op kinderopvangtoeslag van het rijk hebben, dan kunnen zij via de voorschool aanspraak maken op de gemeentelijke toeslag. Dit doen zij door het (gezamenlijk) bruto jaarinkomen op te geven bij de voorschool. De voorschool vraagt vervolgens deze gemeentelijke toeslag aan, waarna de voorschool deze vergoeding van de gemeente ontvangt en de ouders alleen nog een factuur van de voorschool ontvangen met de te betalen inkomensafhankelijke eigen bijdrage.

4.2 Financieel overzicht

In het financieel overzicht wordt de eigen bijdrage per maand weergegeven in de situatie vóór en na 1 januari 2018.

Hierbij is rekening gehouden met de verschillende inkomenscategorieën van de VNG en het ouderbijdrageoverzicht van de Gemeente Amsterdam.

Tevens is hier gebruik gemaakt van de standaard uren vóór 2018 (de 6- en 12-uurse opvang) en vanaf 2018 (de 15-uurse opvang). De 6- en 12-uurse opvang zijn per 2018 niet meer de standaard. Om toch de vergelijking te kunnen maken zijn deze drie standaarden ingevoegd in het overzicht, omdat in 2018 het nog wel mogelijk is om 6 of 12 uur voorschool ’in te kopen’. De 15-uurse opvang is vóór 2018 niet meegenomen in het overzicht, omdat dit vóór de wijziging geen mogelijkheid was.

Ook het wel of niet hebben van een voorschoolindicatie is meegenomen in het overzicht, omdat dit een belangrijk onderscheid was vóór 2018 bij het bepalen van de eigen bijdrage. Voor peuters met een VVE-indicatie was de voorschool tot 2012 geheel gratis. Vanaf 2018 betalen zij voor het eerst een eigen bijdrage.

Bij de berekening is het maximum te vergoeden tarief vanuit de Belastingdienst gehanteerd, namelijk €7,45 per uur. Er is in dit financieel overzicht uitgegaan van 1 kind op de voorschool per gezinstype. Dit is gedaan omdat dit invloed heeft op de eigen bijdrage en de te ontvangen kinderopvangtoeslag. Binnen dit onderzoek was onvoldoende tijd om alle mogelijke variabelen met elkaar te combineren.

Wanneer alle factoren samen worden gevoegd en de verschillende gezinstypen uitgewerkt worden, dan komt daar het volgende financieel overzicht uit. Het overzicht laat zien dat de financiële gevolgen het grootst zijn bij de gezinnen met kinderen met een VVE-indicatie.

 

Tabel: Overzicht eigen bijdrage voorschool

inkomstencategorieuren per weekindicatieper maand voor 2018per maand sinds 2018
0 t/m 28.421
gemiddeld 14.210
6 uurwel08
geen08
12 uurwel016
geen12,7416
15 uurwel-22
geen-22
28.422 t/m 39.109
gemiddeld 33.765
6 uurwel018
geen018
12 uurwel036
geen23,6636
15 uurwel-46
geen-46
39.110 t/m 53.193
gemiddeld 46.151
6 uurwel029
geen029
12 uurwel059
geen37,1859
15 uurwel-74
geen-74
53.194 t/m 76.462
gemiddeld 64.828
6 uurwel037
geen037
12 uurwel074
geen64,4874
15 uurwel-93
geen-93
76.463 t/m 99.999
gemiddeld 88.231
6 uurwel081
geen081
12 uurwel0163
geen108,94163
15 uurwel-205
geen-205

Uit de interviews met de respondenten blijkt dat zij allemaal één kind hebben dat naar de voorschool mag. Indien zij meer kinderen hebben, dan mogen die nog niet naar de voorschool of zitten ze al op de basisschool. De reacties op het betalen van de eigen bijdrage zijn wisselend. Zo vinden respondenten:

  • het volkomen onzin om te betalen, “want het was altijd al gratis”;
  • het geen probleem een eigen bijdrage te moeten betalen, maar ze vinden wel dat het wat minder hoog mag;
  • de eigen bijdrage wel te kunnen missen;
  • dat het niet eerlijk verdeeld is.

5. Ervaringen van ouders over de voorschool

5.1 Ouders over het nut van de voorschool

Tien van de twaalf respondenten geven aan dat de voorschool bijdraagt aan het spelenderwijs leren. Zo wordt genoemd dat ouders het belangrijk vinden dat hun kind verschillende culturen leert kennen, hiermee om leert gaan, rekening met elkaar leert houden, leert samen delen en dat hun kind zich kan optrekken aan andere leeftijdsgenoten.

Elf respondenten geven aan dat zij het erg belangrijk vinden dat hun kind goed de Nederlandse taal leert spreken. Zij vertellen dat de voorschool hier een bijdrage aan levert, doordat alle kinderen met elkaar communiceren met Nederlands als voertaal.

Eén van deze respondenten geeft aan dat kinderen zelfs gecorrigeerd worden wanneer zij geen Nederlands spreken.

Twee respondenten die hun kind van de voorschool hebben gehaald besteden in hun thuissituatie nu extra aandacht aan de ontwikkeling van het kind. Zij zien echter allebei dat dit niet het gewenste resultaat oplevert in vergelijking met het resultaat op de voorschool.

“Ik zie het als een wisselwerking, waarbij mijn kind met kinderen met verschillende achtergronden leert omgaan en waarbij deze kinderen zich aan de Nederlandse kinderen leren optrekken.” (Respondent 6)

Acht respondenten geven aan dat zij de voorschool beschouwen als een voorbereiding op de basisschool. Door de voorschool kunnen veel kinderen op hetzelfde niveau beginnen aan de basisschool.

Twee respondenten vullen hier op aan dat zij het een grote stap vinden als hun kind, zonder gebruik te hebben gemaakt van de voorschool, plots vier of vijf hele dagen naar de basisschool gaat. Ze vinden het fijn als hun kind nu alvast in het ritme van de basisschool komt.

“Ze hebben nu alvast dezelfde routine als straks in de kleuterklas. Het is alleen wel minder intensief, omdat het nu maar twee dagen is en straks gaat hij vijf dagen.” (Respondent 12)

Drie respondenten geven aan dat op de voorschool de juiste professionele begeleiding aanwezig is. De leidsters zijn opgeleid om kinderen te ondersteunen in het spelenderwijs leren. Eén respondent geeft aan zelf Sociaal Pedagogische Medewerker te hebben gestudeerd. Zij heeft de kennis in huis om haar eigen kind volgens de pedagogische regels op te voeden, maar zij geeft aan dat het toch anders is als het je eigen kind betreft.

5.2 Ervaringen van de ouders met de voorschool

Acht respondenten geven concreet aan positieve ervaringen te hebben met de voorschool. Zij verwijzen naar en/of herhalen het antwoord dat zij gegeven hebben op de vraag wat zij zien als het nut van de voorschool. Zij menen dat hun kind zich ontwikkelt door deelname aan de voorschool. Slechts één respondent heeft negatieve ervaringen met de voorschool. Deze respondent geeft aan niet goed voorgelicht te zijn over de inkomensafhankelijke eigen bijdrage en dat dit haar vertrouwen in de voorschool heeft verminderd. Ze zegt:

“Ze hebben een spelletje met mij gespeeld”.

Alle respondenten geven aan dat de voorschool een voorlichting heeft gegeven over de toentertijd aankomende (beleids)wijzigingen. Niet alle respondenten waren in staat hier naartoe te gaan, in verband met werk of vakantie.

5.3 Sociaal-emotionele, cognitieve en motorische ontwikkeling

Vijf respondenten geven aan dat de voorschool een bijdrage levert aan deze ontwikkelingen. Respondenten geven aan dat zij thuis niet altijd de juiste ondersteuning kunnen bieden, terwijl een voorschool dat wel kan. Twee respondenten geven aan dat de leidsters hiervoor zijn opgeleid.

Drie respondenten geven aan dat hun kind op de voorschool ook leert om een pen en schaar vast te houden. De kinderen worden volgens de respondenten begeleid in het ontwikkelen van hun motorische vaardigheden.

5.4 Wat ouders liever anders zien

Vrijwel alle respondenten geven aan dat de schooltijden van de voorschool, sinds ingang van het nieuwe beleid, niet meer aansluiten op de schooltijden van de basisschool. Veel respondenten hebben ook een kind op de basisschool, waardoor zij meerdere malen per dag heen-en-weer moeten. Dit kost volgens de respondenten veel tijd en moeite. Voor twee van de vier respondenten was dit ook één van de redenen om hun kind van de voorschool te halen. Deze respondenten geven aan dat ze willen dat de schooltijden van de voorschool weer aansluiten op die van de basisschool, net als voorheen.

Vier respondenten geven aan dat zij de voorschool graag weer gratis zien. Eén van hen vindt het goedkoper worden van de voorschool ook prima. Van deze vier respondenten hebben twee hun kind van de voorschool gehaald, mede om financiële redenen. De overige twee respondenten hebben hun kind nog wel op de voorschool zitten, omdat zij het zien als een investering in de toekomst van hun kind.

“Wij zien het als een investering is in de toekomst van ons kind. De kinderen blijven krijgen wat zij altijd al kregen.” (Respondent 4)

Twee respondenten geven aan dat er weinig positieve aandacht is besteed aan de wijziging en wat hen te wachten stond. Zij wisten niet dat zij, wanneer zij geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, een verzoek tot recht op gemeentelijke toeslag konden indienen en hoe dit te werk gaat.

6. Positieve ervaringen van ouders over de veranderingen

6.1 Veranderingen op de voorschool

Acht van de twaalf respondenten geven aan te zien dat de klas waarin hun kind zit of zat, kleiner is geworden. Het aantal respondenten is te klein om directe conclusies te trekken die breder inzicht geven in een eventuele afname van deelnemers.

Twee ouders weten hier geen antwoord op te geven, omdat zij hun kind van de voorschool hebben gehaald en geen contact meer met de voorschool hebben.

“Ik moet je eerlijk bekennen dat er voorheen iets van 16 kinderen in de groep zaten. Daarvan zijn er zeker 10 kinderen gestopt, vanwege dat het betaald werd.” (Respondent 11)

“Wat ik om mij heen zie gebeuren, is dat het voor kinderen die de voorschool het hardst nodig hebben het wel een probleem is. Die zullen niet zoveel eigen bijdrage moeten betalen als ik, maar voor sommigen is bijvoorbeeld €20,- per maand al heel veel.” (Respondent 6)

Het antwoord op de vraag wat voor type ouders hun kind van de voorschool haalt is wisselend. De ene respondent geeft aan dat het vooral de arme ouders zijn, de ander geeft aan dat het alleen maar om allochtone ouders gaat en weer een andere respondent geeft aan dat het de niet-westerse ouders zijn die afhaken en/of ouders die niet werken. Een respondent, die docent Nederlands is en goed thuis is in de voorschool, kan zich goed voorstellen dat de ouders die de Nederlandse taal niet goed beheersen afhaken.

6.2 Wat de ouders weten van de beleidswijziging

Alle respondenten weten dat er nu een eigen bijdrage gevraagd wordt. Voor sommigen van hen was dit ook de reden om hun kind van de voorschool te halen. Drie respondenten gaven aan niet te weten dat zij, wanneer zij geen recht op de kinderopvangtoeslag hebben, aanspraak kunnen maken op de gemeentelijke toeslag.

Desgevraagd geven zes respondenten expliciet aan dat de schooltijden van de voorschool zijn gewijzigd. Overigens geven alle respondenten wel aan dat de schooltijden zijn gewijzigd, maar brengen ze dit bij de vraag naar wijzigingen niet altijd duidelijk naar voren.

Twee respondenten geven aan dat zij sinds de ingang van het nieuwe beleid geen luiers en fruit meer mee hoeven te nemen.

Twee respondenten noemen dat de kwaliteit van de voorscholen omhoog is gegaan.

Eén andere respondent weet te noemen dat de gemeente met dit beleid wil bereiken dat de klassen meer gemixt worden.

6.3 Veranderingen voor de ouders

Eén respondent geeft aan nu recht te hebben op kinderopvangtoeslag. Dit recht had deze respondent voorheen niet, omdat de voorschool niet aangemeld was bij het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRK). Dit is per 1 januari 2018 wel het geval, waardoor deze respondent hier wel aanspraak op kan maken. Dit levert een financieel voordeel op voor deze respondent. De respondent weet niet of de beleidswijziging aanleiding gaf voor deze voorschool om zich aan te melden bij het LRK.

“Nee, ik zie niets positiefs. Maar nu lijkt het alsof ik heel ontevreden ben, maar kijk, mijn kind zit daar wel naar tevredenheid.” (Respondent 6)

Eén respondent geeft aan nu minder vaak heen-en-weer te moeten, omdat de schooltijden van de basis- en voorschool nu beter op elkaar aansluiten: voorschool 08:45-13:45 uur, basisschool 08:30-14:00 uur. Het kind van de respondent gaat nu hele dagen naar de voorschool.

Vijf respondenten geven aan geen positieve gevolgen te ervaren naar aanleiding van de beleidswijziging.

Vier respondenten benoemen het punt ‘wachtlijsten’. Zij geven aan deze er vóór de beleidswijziging nog wel waren en per 1 januari 2018 niet meer.

“Ik kan niet iets positiefs opnoemen, behalve dan dat ik zoiets heb van dat ze nu geen wachtlijst meer hebben.” (Respondent 11)

6.4 Veranderingen voor de kinderen

Vijf respondenten geven aan geen positieve wijzigingen te ervaren voor het kind.

Eén respondent geeft aan het fijn te vinden dat het kind nu meer uren naar de voorschool kan. Hierdoor hoeft zij minder op-en-neer tussen voor- en basisschool en levert dit geen problemen op met haar werk.

“Dat ze vaker gaat en meer met haar vriendinnetjes is. En ze kan vaker spelen, vaker de aandacht krijgen en andere nieuwe dingen leren.” (Respondent 9)

7. Negatieve ervaringen van ouders over de veranderingen

7.1 Wijziging voor de ouders

Negen respondenten geven aan dat zij de eigen bijdrage als negatief gevolg ervaren. Vier respondenten hebben mede om deze reden besloten hun kind van de voorschool te halen.

“Kijk, voor ons maakt het niet zo uit, omdat wij het ons wel kunnen permitteren.” (Respondent 6)

Zes respondenten geven aan het vervelend te vinden dat de tijden van de voorschool niet meer aansluiten op die van de basisschool. Dit zorgt voor een situatie waarin zij vaker op-en-neer moeten naar de voor- en basisschool om hun kinderen te brengen en op te halen.

Twee respondenten geven aan dat hun kind geen middagslaapje meer kan doen. Wanneer zij hun kind van de voorschool halen tussen 12:00 en 13:00 uur moet het andere kind dat op de basisschool zit even daarna ook opgehaald worden. Een respondent zegt dat het veel moeite kost om het kind dat normaliter een middagslaapje doet, nu wakker te houden. Respondent laat haar kind niet alleen thuis wanneer zij het andere kind op gaat halen. Een andere respondent, waarvan het kind een hele dag naar de voorschool gaat, geeft aan dat er op de voorschool geen gelegenheid tot het doen van een middagslaapje is.

“En dan heb je kinderen die nog maar 2,5 jaar zijn en zo’n heel programma moeten doorlopen, zonder pauze. Ik weet nog wel toen we begonnen met dit programma en ik mijn kind op 13:30 uur kwam ophalen, dat er twee kinderen in de hoek lagen te slapen. Dat snap ik, het kan super zwaar zijn. ” (Respondent 1)

Twee respondenten zijn minder gaan werken door de beleidswijziging.

Eén respondent heeft haar werktijden moeten aanpassen. Dit was mogelijk, omdat deze respondent eigen baas is. Ze kan zich wel voorstellen dat dit niet voor iedereen zo gemakkelijk is en voor lastige situaties kan zorgen.

Een respondent die het kind van de voorschool heeft gehaald geeft aan ook minder te moeten gaan werken wanneer het kind op de voorschool bleef.

De respondenten die minder zijn gaan werken zijn hierdoor minder gaan verdienen.

Vier van de vijf respondenten die niet werken geven aan pas te gaan werken op het moment dat alle kinderen naar de basisschool gaan.

Twee respondenten geven aan hun vader en/of moeder ter beschikking te hebben. Zij kunnen hun kleinkinderen halen en brengen van de voorschool.

“Mijn vader heeft ook veel tijd en doet het met plezier. Dus op dat gebied mag ik echt niet klagen.”
(Respondent 9)

Eén respondent geeft aan te moeten verhuizen. Dit is niet een direct gevolg van de beleidswijziging, maar van een opstapeling van allerlei kosten.

“Nee, het is niet een direct gevolg van de beleidswijziging! Naja, als je alle kosten van Amsterdam bij elkaar optelt, dan wordt Amsterdam gewoon te duur. Strikt genomen hoort dit er ook wel bij.” (Respondent 6)

7.2 Wijziging voor de kinderen

Zes respondenten geven aan dat hun kind nu in een kleinere klas zit en dit jammer te vinden.

Twee respondenten geven aan het jammer te vinden dat het kind nu minder met allerlei verschillende kinderen kan spelen. Eén respondent geeft aan dat dit de reden is om het kind naar de voorschool te sturen, om juist in een gemixte klas te zitten, zodat het kind met verschillende kinderen leert omgaan.

Verder zijn de reacties wisselend. Zo geeft een respondent aan dat haar andere kinderen nu geen vriendjes of vriendinnetjes mee naar huis kunnen nemen, omdat het kind van de voorschool nu later op de middag het middagslaapje moet doen. Dit heeft ook voor het gezin tot gevolg dat ze minder tijd hebben om na schooltijd nog activiteiten te ondernemen. Ook wordt genoemd dat de klassen nu minder gemixt zijn dan dat zij voorheen waren.

“Er zijn best veel ouders van kinderen in de klas van mijn zoontje die niet zo heel goed Nederlands spreken, dan is dat ontzettend ingewikkeld. Dus ik snap heel goed dat zij denken ‘laat maar zitten’. Maar dat heeft wel tot gevolg, als ik dan kijk naar de samenstelling van de klas van mijn zoontje, dat die nu veel witter is, en veel minder gevarieerd dan dat het in eerst instantie was.” (Respondent 7)

7.3 Wijziging in vermogen

Acht respondenten geven aan minder te kunnen sparen, omdat zij nu de eigen bijdrage moeten betalen.

Eén respondent, die het kind van de voorschool heeft gehaald, geeft aan het belangrijker te vinden dat hun kinderen activiteiten kunnen blijven doen, zoals Arabische les, kickboksen, zwemmen, voetbal, etcetera. De eigen bijdrage voor de voorschool past niet binnen het budget. Wanneer deze respondent de kinderen wel naar de voorschool zou sturen, dan zouden zij er qua sparen ook op achteruit gaan.

Een andere respondent geeft ook aan te letten op wat zij nu kopen qua eten en kleding en doen met uitjes. Zij vindt het namelijk belangrijk dat hun kind naar de voorschool gaat. Het scheelt voor deze respondent ook dat zij maar €22,- betalen, wat de respondent niet veel vindt.

“Wij gaan niet op vakantie, want wij kunnen niet sparen, dat gaat gewoon niet.” (Respondent 4)

8. Overwegingen van ouders om hun kind op de voorschool te houden of ervan af te halen

8.1 Argumenten om kind aan de voorschool deel te laten blijven nemen

Veel respondenten verwijzen hier terug naar de eerste deelvraag, wat betreft het nut van de voorschool volgens de ouders. Zij zien vrijwel allemaal het nut van de voorschool in. Om de reden dat hun kind zich spelenderwijs kan ontwikkelen, met andere kinderen leert omgaan, de basisvaardigheden leert en het een voorbereiding op de basisschool is, laten zij hun kind op de voorschool

“De voorschool is echt om te leren wat je straks op de basisschool gaat doen.” (Respondent 8)

Drie respondenten geven aan dat hun keuze om hun kind op de voorschool te laten echt gericht is op de taalontwikkeling. Eén kind sprak alleen nog maar Berbers voordat hij naar de voorschool ging. Door de voorschool is hij Nederlands gaan spreken. Een ander kind sprak nog helemaal niet, door het gebruik van de voorschool hoopt respondent dat het kind deze achterstand (deels) inhaalt. Eén andere respondent vult hier op aan het jammer te vinden dat klassen kleiner zijn geworden, waardoor het leren van de taal ook minder vlot gaat. Het kind komt minder in aanraking met andere kinderen dan voorheen.

8.2 Argumenten om kind van de voorschool af te halen

Acht respondenten geven aan hun kind van de voorschool te halen als de eigen bijdrage te hoog wordt. Dit houdt voor hen in dat de eigen bijdrage niet binnen het budget past. Twee van deze acht respondenten hebben hun kind al mede om deze reden van de voorschool gehaald. Waar voor elke respondent de grens van een te hoge eigen bijdrage ligt verschilt per respondent.

Enkele respondenten geven ook aan dat wanneer het agendatechnisch niet meer mogelijk is, zij hun kind van de voorschool halen. Hiermee bedoelen zij de school- en werktijden.

Twee respondenten geven ook aan dat zij, wanneer hun kind het overslaan van het middagslaapje niet trekt, hun kind van de voorschool zullen afhalen.

Voor één respondent blijven de te kleine klassen toch wel een struikelblok. Wanneer de klas zo klein is, dan zou het kind niet veel meer kunnen leren dan thuis.

“Omdat je toch met die tijden blijft pruttelen en de kosten nu veel hoger zijn. Maar ik gun het hem ook, ik denk ook oprecht dat ie het leuk vindt, de voorschool.” (Respondent 1)

Twee respondenten kunnen gebruik maken van hun vader en/of moeder. Die kunnen het kind brengen en/of ophalen van de voorschool. Wanneer de grootouders wegvallen zou er een probleem ontstaan.

9. Conclusies

9.1 Wat zijn de financiële gevolgen van de beleidswijziging voor de verschillende Amsterdamse gezinstypen?

Uit het financieel overzicht kan de conclusie getrokken worden dat vrijwel alle ouders die hun kind op de voorschool hebben geplaatst er financieel op achteruit gaan. Slecht één respondent heeft voordeel aan de beleidswijziging. Het verschil is het grootst voor de ouders die hun kind voorheen gratis naar de voorschool mochten sturen en hiervoor nu moeten betalen. In de beleving van de ouders is dit soms anders. In het financieel overzicht komt naar voren dat de laagste inkomenscategorie minder geld bij gaat betalen dan de hoogte inkomenscategorie. Vóór het ene gezin is €22,- eigen bijdrage al veel, maar voor een ander gezin uit dezelfde inkomenscategorie kan dit meevallen. Dit is afhankelijk van de levensstijl van de verschillende inkomensgroepen.

Conclusie: Alle ouders gaan er financieel op achteruit, behalve die ouders die al een eigen bijdrage betaalden en geen recht hadden op kinderopvangtoeslag.

9.2 Wat is het nut van een voorschool volgens de ouders?

Ouders zien zeker het nut van de voorschool in. De meest genoemde punten wat betreft het nut van de voorschool zijn volgens de ouders: de taalontwikkeling, het spelenderwijs leren (met leeftijdgenootjes), verschillende culturen leren kennen, de ontwikkeling in de omgang met andere kinderen, samen delen, in een kring leren zitten, op hun beurt wachten, en de voorbereiding op de basisschool. Op een voorschool is de nodige professionele begeleiding aanwezig, iets wat niet elke ouder (goed) kan bieden aan zijn of haar kind. Volgens sommige ouders houdt het voor henzelf op, daar waar de professionals dit overnemen. Ouders zijn dan ook positief over de voorschool.

Ook de ouders die hun kind niet meer naar de voorschool sturen zien het nut van de voorschool in. Alleen hen houdt het vertrouwen en/of de hoge eigen bijdrage en/of het niet aansluiten van de tijden van de voor- op de basisschool hen tegen. Daarentegen besteedt dit type gezin nu extra aandacht aan de ontwikkeling van hun kind. Zo betrekken zij hun kind nu meer in de thuiseducatie met spelletjes, samen de dagen en kleuren doornemen of een educatieve applicatie.

Naast dat zij het nut van de voorschool inzien, zijn er voor sommige ouders toch wat obstakels om hun kind naar de voorschool te sturen. Dit zijn vooral de ouders die ook een kind op de basisschool hebben. Het grootste obstakel is dat de tijden van de voor- en basisschool vrijwel niet meer op elkaar aansluiten. Dit heeft tot gevolg dat zij meerdere keren op-en-neer moeten reizen om hun kind te halen of te brengen. Of ze moeten wachten met één kind tot ook dit kind naar school kan.

De mening over de eigen bijdrage is verdeeld. Zo zeggen sommige ouders dat een eigen bijdrage prima is, want niet alles kan immers gratis zijn. Andere ouders zeggen dat het weer gratis of goedkoper moet worden, omdat zij het anders niet kunnen (blijven) betalen.

De ouders waarmee in dit onderzoek is gesproken hebben vrijwel allemaal een kind op de voorschool. Vier ouders sturen hun kind niet meer naar de voorschool, omdat het hoge kosten met zich meebrengt, de schooltijden niet meer aansluitend zijn en/of omdat het vertrouwen in de voorschool is beschadigd. Volgens ouders heeft de hoge eigen bijdrage tot gevolg dat het aantal leerlingen op de voorschool afneemt, het aantal klassen verminderd en de wachtlijst nihil is. Respondenten geven aan dat de niet-westerse ouder, ouders die niet werken en allochtone ouders hun kind van de voorschool halen. Volgens hen zijn voor hen de kosten te hoog, weten zij niet (goed) hoe ze een toeslag kunnen aanvragen en/of weten zij überhaupt niet dat zij een kinderopvangtoeslag en/of gemeentelijke toeslag kunnen ontvangen. Dit laatste zou tot gevolg hebben dat deze ouders het hoge bedrag, waarvan de toeslag nog afgetrokken zou moeten worden, als eigen bijdrage zien wat zijn totaal per maand moeten betalen. Dit schrikt af.

Conclusie: Alle ouders die meegewerkt hebben aan het onderzoek zien het nut van de voorschool in, ongeacht onder welke soort gezinstype zij van deelvraag 1 vallen en of zij hun kind wel of niet nog naar de voorschool sturen.

9.3 Welke gevolgen van de beleidswijziging ervaren ouders als positief?

Respondenten geven slechts een beperkt aantal positieve ervaringen met de beleidswijziging aan.

Voor twee respondenten heeft het een voordeel, namelijk dat de basisschool waarop één van hun kinderen zit nu een continurooster hanteert. Zij hoeven nu minder op-en-neer tussen voor- c.q. basisschool en thuis. Toch blijft het lastig te concluderen hoe lang een ouders moet wachten of hoe vaak een ouder op-en-neer moet, omdat de voor- en basisschooltijden van de vele locaties in Amsterdam erg van elkaar verschillen.

Ook heeft maar één ouder het financiële voordeel nu aanspraak te kunnen maken op de kinderopvangtoeslag.

Ook het niet meer hebben van wachtlijsten wordt als positief ervaren. Kinderen kunnen nu direct geplaatst worden op een voorschool, juist omdat er nu ruimte is.

Eén ouder is positief over het feit dat er nu meer uren voorschool opgenomen kunnen worden.

Conclusie: Het aantal positieve ervaring van ouders is gering in verhouding tot de negatieve ervaringen. Het niet meer hebben van wachtlijsten, het voor twee ouders aansluitende schoolschema, het voor één ouder aanspraak kunnen maken de kinderopvangtoeslag en het voor één ouder meer kunnen opnemen van uren worden als positief ervaren.

9.4 Welke gevolgen van de beleidswijziging ervaren ouders als negatief?

De eigen bijdrage ervaren de ouders als grootste negatieve gevolg van de beleidswijziging, ondanks dat sommige ouders er begrip voor tonen. Volgens hen kan immers niet alles gratis zijn. Sommige van hen zien het als een investering in de toekomst van hun kind en kunnen het geld missen. Zij geven aan hiervoor te bezuinigen op boodschappen, kleding en/of uitjes met de kinderen, maar vooral op het sparen van geld.

Het nu veel op-en-neer moeten reizen tussen de scholen en thuis is ook een grote ergernis. Dit komt doordat de tijden van de voorschool niet mooi aansluiten op die van de basisschool, indien zij naast het hebben van een kind op de voorschool ook nog een kind hebben op de (aansluitende) basisschool. Voor sommige ouders is het nadelig geworden dat hun kind nu ook het middagslaapje over moet slaan, omdat er op de voorschool waar hun kind op zit geen mogelijkheid tot slapen is. Hierdoor kunnen kinderen vermoeid zijn en moeten of het middagslaapje helemaal overslaan of dit later op de dag inhalen. Dit komt niet goed uit met bijvoorbeeld het nog een uitstapje willen doen na schooltijd en het uitnodigen van vriendjes of vriendinnetjes.

Volgens sommige respondenten weten de ouders met een niet-westerse achtergrond niet altijd even goed hoe zij een toeslag aan moeten vragen. Hierdoor halen zij hun kind van de voorschool af, omdat de eigen bijdrage dan hoog wordt. Sommige respondenten geven aan dat er voorlichtingen zijn gegeven met betrekking tot de wijziging.

Enkele respondenten geven aan ook minder te moeten gaan werken. Dit omdat de schooltijden niet op elkaar aansluiten en de kinderen dus op verschillende tijden van school gehaald moeten worden. Dit heeft tot gevolg dat er minder salaris binnenkomt. Twee respondenten zien het dubbel, namelijk dat zij én betalen voor de voor school én betalen om vrij te nemen, salaris inleveren. Eén van deze ouders heeft dan ook besloten hun kind niet meer naar de voorschool te sturen.

Voor de kinderen heeft de beleidswijzing als negatief gevolg dat zij soms hun middagslaapje over moeten slaan en hierdoor erg vermoeid thuis komen. Daarnaast zitten zij in kleinere klassen, soms maar 2 of 3 kinderen in een klas, waardoor zij minder goed met verschillende kinderen spelenderwijs kunnen leren. Ook kunnen zij zich minder snel aan andere kinderen optrekken, hebben ze minder voorbeelden en kunnen ze minder verschillende culturen leren kennen. Dit laatste is ook een reden waarom ouders hun kind naar de voorschool sturen, juist om kennis te maken met de verschillende culturen. De meeste ouders zien dan ook graag dat hun kind in een gemixte klas met verschillende etniciteiten terecht komt.

Conclusie: De eigen bijdrage voor ouders wordt als negatief ervaren, ondanks dat sommige respondenten het “kunnen missen”. Het middagslaapje is voor enkele ouders een ding, omdat deze door de tijdswijziging overgeslagen moet worden, wat voor lastige situaties kan zorgen. Minder werken en daardoor een lager inkomen behoort ook tot een negatief gevolg. Kleinere klassen hebben tot gevolg dat kinderen in minder diverse klassen terechtkomen en met minder kinderen kunnen spelen met diverse achtergronden, iets wat wel een van de doelen van de beleidswijziging is. Ouders kunnen door de beleidswijziging minder sparen en gaan hier creatief mee om door te bezuinigen op andere soorten uitgaven.

9.5 Wat voor argumenten hebben ouders om hun kind op de voorschool te laten of er vanaf te halen naar aanleiding van de beleidswijziging?

Het meest voorkomende argument om het kind aan de voorschool deel te laten blijven nemen is dat de voorschool een voorbereidende werking heeft op de basisschool. Kinderen leren de basiszaken, zoals het leren in een kring zitten, met elkaar spelen, samen delen, taal en kunnen zich aan elkaar optrekken. Hierdoor beginnen zij niet met een achterstand aan de basisschool, zij kunnen direct meedraaien op het niveau hiervan. Spelenderwijs leren met leeftijdgenootjes vinden ouders ook erg belangrijk. Voor sommige ouders is het belangrijk dat kinderen een ritme krijgen.

De hoge kosten zijn het hoofdargument van de ouders om hun kind van de voorschool te halen. Er kan dan ook vanuit gegaan worden dat dit het hoofdargument is waarom er klassen op de voorschool verdwijnen en/of klassen kleiner zijn geworden en/of wachtlijsten op nihil staan.

Daarnaast geven de ouders ook hier aan dat de schooltijden van de voorschool niet aansluiten op de schooltijden van de basisschool, indien ouders ook hier nog een kind op hebben zitten.

Conclusie: Ouders die overtuigd zijn van het nut van de voorschool en de eigen bijdrage kunnen missen houden hun kind op de voorschool. Ouders halen hun kind van de voorschool wanneer de eigen bijdrage te hoog wordt gezien hun situatie, de schooltijden niet te combineren zijn met de werktijden, bijvoorbeeld omdat een helpende hand als opa of oma weg komt te vallen. Wanneer klassen kleiner worden overwegen ouders ook om hun kind van de voorschool te halen, omdat hun kind dan minder spelenderwijs met andere kinderen kan leren.