Effectiviteit zittenblijven in voortgezet onderwijs betwijfeld

Jaarlijks blijven er duizenden leerlingen in het voortgezet onderwijs zitten. De effectiviteit van zittenblijven wordt betwijfeld, de helft van zittenblijvers haalt geen diploma in de onderwijssoort waarin ze zijn blijven zitten. Veel scholen in het voortgezet onderwijs betwijfelen het nut van zittenblijven, maar nog weinig scholen ondernemen actie.

Cijfercultuur

Bijna alle scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland hebben regels opgesteld over zittenblijven of overgaan, ouders en leerlingen kunnen deze regels meestal in de schoolgids vinden. Op de meeste scholen vormen de rapportcijfers het belangrijkste criterium bij zittenblijven. Gedrag en motivatie spelen ook mee, maar eigenlijk alleen bij twijfelgevallen. In het Nederlandse onderwijs is het gebruikelijk dat een zittenblijver het hele schooljaar overdoet, ook de vakken waarin de leerling geen onvoldoendes had.

Effectiviteit zittenblijven

De onderwijsinspectie heeft 130 scholen voor voortgezet onderwijs vragen gesteld over zittenblijven en sprak daarnaast met een panel van schoolleiders en met een leerlingenpanel. De inspectie peilde de meningen over de effectiviteit van zittenblijven, bracht in kaart wat het beleid is van scholen rond zittenblijven en presenteerde de bevindingen in het rapport Zittenblijven in het voortgezet onderwijsVan de geënquêteerde scholen geeft 5% aan te geloven in het afschrikkende effect van zittenblijven, 15% van de scholen vindt het terecht dat leerlingen die gemiddeld tekortkomen een heel jaar overdoen, 42% van de scholen twijfelt aan het nut van het herhalen van een volledig jaarprogramma.

Helft van zittenblijvers stroomt af

De twijfel wordt onderbouwd door recente cijfers over het ‘succes’ van zittenblijven. In het rapport is gekeken naar het effect van zittenblijven in het derde leerjaar in schooljaar 2008/2009: de helft van die zittenblijvers bleek uiteindelijk af te stromen naar een lager schoolniveau. Zittenblijven is dus niet effectief, het opnieuw volgen van de leerstof werkt vaak demotiverend, onderliggende problemen worden er niet door opgelost.

Opwaartse stroom

Schoolleiders zoeken volgens het rapport de oorzaak van het zittenblijven in de ‘opwaartse stroom’: het fenomeen dat er minder leerlingen naar het vmbo gaan en meer naar havo en vwo zonder dat dit verklaard kan worden uit de cito-resultaten. Schoolleiders ervaren de ‘opwaartse stroom’ als een probleem – in plaats van als extra kans – en wijten het aan de druk van ambitieuze hoogopgeleide ouders. Deze verklaring van de schoolleiders wordt echter onderuit gehaald in het rapport als aan de orde komt welke leerlingen het meest blijven zitten. Dan blijkt het namelijk om niet-westerse allochtone leerlingen te gaan en gaat het argument van druk vanuit hoogopgeleide ouders niet op.

Weinig zelfkritiek scholen

Ongeveer twee derde van de scholen onderzoekt of de thuissituatie van invloed was op het zittenblijven of vermoedt dat sociaal emotionele factoren een rol spelen, schrijft de inspectie. Ook wordt motivatie door scholen veel genoemd als oorzaak. Daar stelt de inspectie tegenover dat ruim twee derde van de scholen de kwaliteit van de lessen en van de leerlingbegeleiding niet evalueert als mogelijke oorzaak van het zittenblijven. De inspectie noemt het verder opmerkelijk dat 84 procent van de scholen kansen ziet om het aantal zittenblijvers te beperken maar dat niet in de praktijk brengt. De inspectie is op zich positief over het feit dat scholen extra uren inroosteren voor de kernvakken (Nederlands, Engels, wiskunde), vrijwillige of verplichte ondersteuning bieden buiten de reguliere lessen en motivatiegesprekken bieden met de mentor. Maar de inspectie concludeert dat het ruime aanbod aan extra ondersteuning nog te weinig voldoet aan de individuele behoefte van leerlingen.

Zomerscholen

In het Sectorakkoord VO zetten overheid en schoolbesturen in op het terugdringen van het huidige percentage zittenblijvers van 5,8% naar 3,8% in 2020. Vanaf 2015 wordt daarvoor structureel 9 miljoen euro uitgetrokken, grotendeels voor zomerscholen. Staatssecretaris Dekker schreef in een brief aan de Tweede Kamer over zomerscholen dat 130 scholen – het is onbekend of het dezelfde scholen zijn van het inspectieonderzoek, waarschijnlijk niet – een aanvraag hebben ingediend. Daardoor kunnen in de zomer van 2015 zesduizend leerlingen gebruik maken van een zomerschool. Als bijlage aan de kamerbrief verzond de staatssecretaris naast het inspectierapport ook een onderzoeksrapport van de Rijksuniversiteit Groningen over de effectiviteit van de zomerschool als interventie tegen zittenblijven.