Wat concepten voor vernieuwend onderwijs zijn er?

Het traditioneel vernieuwingsonderwijs is de verzamelnaam voor vernieuwend onderwijs dat is ontstaan aan het begin van de 20e eeuw. De visies van Maria Montessori, Helen Parkhurst, Rudolf Steiner, Peter Petersen en Célestin Freinet werden in het onderwijs toegepast. Scholen die uit deze visies zijn voortgekomen zijn de montessori-, dalton-, vrije-, jenaplan- en freinetscholen. Al deze concepten namen afstand van het mechanische, klassikale onderwijs en richtten zich op de ontwikkelingsmogelijkheden van het individuele kind.

Montessori

Het montessorionderwijs is een onderwijsvorm naar de ideologie van de Maria Montessori. De kern van het montessorionderwijs ligt in de uitspraak ‘Help mij het zelf te doen’. In het montessorionderwijs wordt ervan uitgegaan dat kinderen van nature nieuwsgierig zijn en een natuurlijke drang hebben om zich te ontplooien. Montessori werkt vanuit het principe dat een kind spontaan kan leren als het op het juiste moment de juiste middelen krijgt aangereikt. Op deze manier leert een kind zo veel mogelijk in het eigen tempo, gebruik makend van eigen kunnen en met behulp van speciaal ontworpen montessori-materialen.

Dalton

De grondlegger van het daltononderwijs is Helen Parkhurst. Parkhurst gaf les op een eenmansschool in het Amerikaanse plaatsje Dalton. In haar klas zaten leerlingen van verschillende leeftijden maar ook van verschillende niveaus. Ze schafte het klassikaal lesgeven af en liet de leerlingen meer zelfstandig werken, maar ook elkaar helpen. Kenmerken van het daltononderwijs zijn: vrijheid in gebondenheid (leerlingen kiezen zelf wanneer ze welke opdracht doen), zelfstandigheid (als opdrachten niet af zijn, is dat hun eigen verantwoordelijkheid) en samenwerken. Helen Parkhust volgde een opleiding bij Maria Montessori, daarom zijn invloeden van het montessorionderwijs terug te vinden in het daltononderwijs.

Vrijeschool

De vrijeschool is opgericht door Rudolf Steiner vanuit antroposofische opvattingen. De vrijeschool richt zich niet alleen op leren rekenen en schrijven, maar ook op de persoonlijke ontwikkeling, individueel en in relatie tot de sociale omgeving. Ieder kind heeft van zichzelf bepaalde talenten. De vrijeschool helpt deze te vinden en te ontwikkelen. De kern van het vrijeschoolonderwijs is dat rekening wordt gehouden met de ontwikkelfase van het kind. De eerste zeven jaar leren kinderen hun lichaam gebruiken, de tweede zeven jaar worden dingen meer gevoelsmatig beleefd, er wordt een mening gevormd, en vanaf het 14e jaar kan een kind zelf leren nadenken en oordelen. Eén leraar blijft gedurende alle jaren bij dezelfde klas.

Jenaplan

Vanuit een experiment van professor Petersen uit de Duitse plaats Jena onstond het Jenaplanonderwijs. In het jenaplanonderwijs zitten kinderen van verschillende leeftijden in stamgroepen bij elkaar, waardoor een kind zich elk jaar in een andere sociale context begeeft. De vier basisactiviteiten waarin mensen leven en leren zijn ook de vier basisactiviteiten op school: spreken, spelen, werken en vieren.

Freinet

Freinetscholen werken volgens het principe van Célestin Freinet. Freinet merkte dat zijn leerlingen door het ‘schoolse’ leerwerk nauwelijks gemotiveerd raakten. Daarom ging hij met de kinderen naar buiten. Tijdens het wandelen werd er gepraat over alles wat ze tegen kwamen; de leerlingen waren erg betrokken. Terug in de klas werden alle ervaringen verwerkt door middel van verslagen en tekeningen. De leerling werd nu medeverantwoordelijk voor het geleerde. Met deze bevindingen ontwikkelde Freinet een onderwijssysteem waarin de leefwereld van het kind en het leren door ervaring centraal staan. Het freinetonderwijs is enerzijds individueel en taakgericht. Anderzijds is het gericht op het leren samenwerken en het aanleren van sociaal gedrag. Er is geen Freinetschool in Amsterdam, maar veel scholen hebben elementen van zijn leer overgenomen.