Zittenblijven in groep 2 heeft slechts tijdelijk effect

UvA-onderzoekers pleiten voor terughoudendheid bij kleuterbouwverlenging

Ongeveer één op de tien kleuters blijft zitten in groep 2 van het basisonderwijs. Een deel van hen heeft ook later leerproblemen: ongeveer 13 procent wordt verwezen naar het speciaal basisonderwijs en 3 procent blijft in hogere groepen opnieuw zitten. Bij de overige leerlingen zijn slechts tijdelijk positieve effecten te zien op leerprestaties. Dat blijkt uit onderzoek van dr. Jaap Roeleveld en dr. Ineke van der Veen van de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Zittenblijven in groep 2 van het basisonderwijs, de zogenaamde kleuterbouwverlenging, wordt door sommige scholen bewust ingezet als maatregel om de achterstanden van kinderen te bestrijden, met als argument dat een extra investering in de kleuterperiode zich uitbetaalt in de latere schoolloopbaan.

Ongeveer één op de tien kleuters blijft zitten in groep 2 van het basisonderwijs. Een deel van de zittenblijvers blijkt ook in hun latere onderwijsloopbaan problemen te krijgen: ongeveer 13 procent wordt verwezen naar het speciaal basisonderwijs en een klein deel (3 procent) blijft in hogere groepen opnieuw zitten. Bij de overige leerlingen zijn slechts tijdelijk positieve effecten te zien op de onderwijsprestaties, op de langere termijn profiteren zij niet van een extra leerjaar.

Dit blijkt uit onderzoek van dr. Jaap Roeleveld en dr. Ineke van der Veen van het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam (UvA). De resultaten van het onderzoek werden in 2007 gepubliceerd in het tijdschrift Pedagogische Studien.

Roeleveld en Van der Veen onderzochten hoe vaak en bij welke kinderen kleuterbouwverlenging voorkomt, of er ontwikkelingen zijn in de tijd en in hoeverre leerlingen profiteren van de verlenging. Zij maakten gebruik van gegevens uit vijf opeenvolgende metingen van het Cohortonderzoek Primair Onderwijs (PRIMA): van 1994/1995 tot en met 2002/2003.

De onderzoekers concluderen dat het aanbeveling verdient terughoudender te zijn bij het besluiten tot kleuterbouwverlenging.

Bron: UvA

Download
J. Roeleveld en I. van der Veen, Kleuterbouwverlenging in Nederland: omvang, kenmerken en effecten. In: Pedagogische studiën, 2007 (84) p.448-462 (pdf, 800 KB)