Samenvatting ‘Islamitische scholen nader onderzocht’

Inspectieonderzoek uit oktober 2003 als vervolg op onderzoek in 2002

Dit onderzoek heeft geen bevindingen opgeleverd die aanleiding geven voor onrust of ernstige ontevredenheid. Aanwijzingen dat op islamitische scholen “wordt aangezet tot intolerantie of haat” zijn niet aangetroffen, noch door de inspectie, noch door andere instanties. Niettemin ontstaat soms de indruk dat islamitische scholen in de beeldvorming weinig kans hebben zich aan de plaats in de verdachtenbank te onttrekken.

De lastige taak waarvoor vooroordelen, fundamentalisme en extremisme in de maatschappij scholen kunnen plaatsen, maakt dat het goed is blijvend aandacht te schenken aan de rol die de school kan spelen als het gaat om integratie en maatschappelijke samenhang.

Onderzoeksvragen en resultaten
De hoofdvraag van het onderzoek is: Dragen islamitische basisscholen bij aan bevordering van sociale cohesie? Om deze vraag te beantwoorden zijn zes invalshoeken gekozen, die elk een ander aspect van die ‘cohesie’ bestrijken.

Vraag 1: Hoe hebben de scholen gereageerd op de ‘verbeterpunten’ uit het eerste onderzoek en welke resultaten zijn daarbij geboekt? 

Voor verreweg de meeste van de 20 onderzochte scholen geldt dat ze werken aan de in het eerdere onderzoek geconstateerde verbeterpunten. De inspectie verwacht dat de in gang gezette veranderingen tot het beoogde resultaat zullen leiden en zal het eindresultaat kritisch beoordelen. In sommige gevallen zijn die resultaten ook al gerealiseerd. In andere gevallen zijn wel stappen gezet, maar vergt het bereiken van de beoogde resultaten – zoals gezien de aard van de punten ook in de rede ligt – meer tijd.

Vraag 2: Is het godsdienstonderwijs op islamitische scholen strijdig met basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en: hoe is de pedagogisch-didactische kwaliteit van het godsdienstonderwijs? 

Het godsdienstonderwijs op de onderzochte scholen is niet in strijd met basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De pedagogisch-didactische kwaliteit van het godsdienstonderwijs laat op de meeste scholen te wensen over, zeker als deze wordt beoordeeld aan de hand van criteria die voor bevoegde en ervaren leraren gelden.

Vraag 3: Is het onderwijs op islamitische scholen in strijd met basiswaarden van de democratische rechtstaat, met name ook in vakken waar mens- en wereldbeelden een rol kunnen spelen?

Het onderzoek leidt tot de conclusie dat het onderwijs op geen enkele onderzochte islamitische school strijdig is met basiswaarden die de democratische rechtsstaat schragen. Ruim de helft van de scholen besteedt bovendien extra aandacht aan deze waarden.

Vraag 4: Hoe zijn op islamitische scholen de condities die van invloed kunnen zijn op de integratie van leerlingen in de Nederlandse samenleving?

Alle scholen dragen voldoende bij aan condities die de integratie van leerlingen ten goede komen, maar sommige scholen zijn daarbij weinig initiatiefrijk.

Vraag 5: Welke bijdrage leveren islamitische scholen aan de onderwijskansen van hun leerlingen?

Vergelijking van de onderzochte islamitische basisscholen met andere scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie (‘zwarte scholen’) laat zien dat de prestaties van leerlingen niet achterblijven. Op sommige punten behalen leerlingen op scholen iets betere prestaties dan leerlingen op andere zwarte scholen.

Vraag 6: Hoe is de kwaliteit van het onderwijs op islamitische scholen, onder meer voor wat betreft het klassen- en het schoolklimaat, en het pedagogisch handelen?

Vergelijking met andere (vergelijkbare) scholen laat zien dat de kwaliteit van het onderwijs op de onderzochte punten niet achterblijft bij andere scholen. Een islamitische school is te typeren als een wat traditionele, strenge school met veel aandacht voor de basisvaardigheden die worden bijgebracht in een gestructureerde omgeving waarbij effectief wordt omgegaan met de leertijd.

Balans
Hoe deze bevindingen te wegen? Weliswaar zijn er veel punten die om verbetering vragen – en die de aandacht van de inspectie houden – maar wat overheerst, is de conclusie dat er geen bevindingen zijn gedaan die aanleiding geven voor onrust of ernstige ontevredenheid. De vele invalshoeken die in het onderzoek betrokken zijn, de grote hoeveelheid waarnemingen die binnen (en buiten) de school zijn gedaan en de ‘strenge’ aanpak waarmee de scholen benaderd zijn geven voldoende garantie dat vertrouwen gesteld kan worden in de uitkomsten en de conclusies.

Een andere vraag is of de bevindingen gezien vanuit de dominante beeldvorming over het islamitische onderwijs, wel kunnen kloppen. Het lijkt daarom goed ook het beeld in ogenschouw te nemen dat van islamitische scholen bestaat, alsmede de publieke meningsvorming over uitkomsten van onderzoek naar deze scholen.

Misverstanden over de gang van zaken op islamitische scholen lijken soms hardnekkig. De culturele afstand tussen de ‘main stream’ cultuur en de opvattingen en gebruiken binnen minderheidsgroepen worden onder meer op islamitische scholen sterk zichtbaar. Islamitische scholen lenen zich, met andere woorden, gemakkelijk voor stereotypering. Incidenten kunnen dan een onevenredig stempel zetten op het beeld dat bestaat van de rol die islamitische scholen spelen bij de integratie van minderheden.

Integratie is ook tweerichtingsverkeer. Dat impliceert dat niet alleen iets van minderheidsgroepen wordt gevraagd, maar ook van de samenleving die hen omringt. Tolerantie is in dat verband een belangrijke waarde, die twee kanten op werkt. Een inperking van het vraagstuk van integratie tot de spanning tussen de cultuur van nieuwkomers aan de ene kant en de dominante cultuur aan de andere kant, doet dan tekort aan het onderliggende probleem. Het debat over waarden is nooit ‘af’ en de tolerantie van verschillen is de kern van democratische samenlevingen. Binnen de grenzen van basiswaarden wordt dat debat blijvend gevoerd, in de samenleving en in haar scholen. Cohesie betekent dan óók, dat over en weer ruimte bestaat voor een gesprek over waarden.

Bestuurlijke stabiliteit — een kanttekening
Hoewel de inspectie waardering heeft voor de ontwikkeling die de, vaak nog jonge, scholen hebben doorgemaakt en de voortgang die — zoals ook uit dit onderzoek blijkt — nog steeds wordt geboekt, is ze tevens van opvatting dat de opgaven waarvoor de scholen staan, versterking van de bestuurskracht wenselijk maken. De vermenging van bestuurs- en schooltaken of dubbelfuncties binnen de eigen gemeenschap, twijfels over de transparantie van de school en over de wil van scholen het gesprek met de samenleving aan te gaan, maken dat de scholen kwetsbaar zijn voor bestuurlijke instabiliteit. Er kan sprake zijn van onvoldoende bestuurlijke slagvaardigheid rond het onderkennen en oplossen van problemen en incidenten, en van onjuiste, op stereotypen gebaseerde beeldvorming. De bestuurlijke kwetsbaarheid klemt nog meer vanwege de precaire maatschappelijke beeldvorming. Immers, ieder incident op een islamitische school, of het nu het bestuur of de school betreft, kan repercussies hebben voor de andere scholen en hun besturen.

Consequenties voor het toezicht
De inspectie is voornemens om, wanneer daarvoor aanleiding bestaat, in het onderwijstoezicht blijvend oog te houden op de rol die scholen daarin kunnen vervullen. Dat toezicht strekt zich uit tot alle scholen in Nederland. Het omvat de wijze waarop, bijvoorbeeld, islamitische scholen omgaan met basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Maar dit geldt, bijvoorbeeld, evenzeer de manier waarop alle orthodoxe scholen hun leerlingen in contact brengen met de Nederlandse samenleving of het respect waarmee openbare scholen in hun onderwijs spreken over godsdienst of mensen die een geloof aanhangen.

Deze samenvatting is door de redactie van OCO samengesteld uit fragmenten uit de samenvatting die de inspectie voorin haar onderzoeksrapport heeft opgenomen, omwille van de leesbaarheid zijn de afzonderlijke fragmenten niet (met …) gemarkeerd.

Download
Islamitische scholen_nader_onderzocht, 2003, inspectie van het onderwijs