Achterblijven in Amsterdam

De afgelopen jaren haalt een onaanvaardbaar groot deel van de leerlingen het beoogde eindniveau van het basisonderwijs niet. Het gaat hierbij jaarlijks om 20% van de leerlingen in groep 8. Van alle leerlingen krijgt 18% het basischooladvies vmbo + leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo). Deze leerlingen hebben een leerachterstand van 1,5 tot 3 jaar. Het advies praktijkonderwijs (Pro) wordt gegeven aan 2% van alle leerlingen. Zij hebben een leerachterstand van tenminste drie jaar.

Deze constatering wekte grote bezorgdheid bij zowel de gemeente als de schoolbesturen. Deze partijen hebben het SCO-Kohnstamm Instituut gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de mogelijke oorzaken van deze leerachterstanden, dat als basis kan dienen voor maatregelen om dit percentage terug te dringen. Het onderzoeksrapport is verschenen onder de titel Achterblijven in Amsterdam.

Uit het onderzoek blijkt dat het bij deze groep leerlingen vaker gaat om kinderen met ouders die alleen lager onderwijs hebben, uit één oudergezinnen komen en die ouder zijn vanwege zittenblijven of later instromen. Ook zitten deze leerlingen vaker in klassen waarin de meerderheid van de ouders laagopgeleid is.

Verder wordt in het onderzoek geconstateerd dat de aanwezigheid van een relatief grote groep leerlingen die uiteindelijk het vmbo+lwoo-advies krijgen, niets zegt over de gemiddelde kwaliteit van het onderwijs aan deze groep. Integendeel, uit het onderzoek blijkt dat het Amsterdams onderwijs in vergelijking met de rest van Nederland meer onderwijsresultaat boekt met deze leerlingen. Amsterdamse leerlingen met een lwoo-advies hebben op zijn minst evenveel -soms meer- vorderingen gemaakt in taal en rekenen als lwoo-leerlingen elders in het land.

Toch is er in Amsterdam iets opvallends aan de hand. Een Amsterdamse leerling heeft een ruim drie keer zo grote kans om een lwoo-advies te krijgen, na correctie voor al de bovengenoemde kenmerken (vaardigheden en gezinssituatie). Dit verschil zit in het feit dat Amsterdamse leerkrachten menen dat hun leerlingen gemiddeld minder cognitieve capaciteiten hebben (terecht of niet) dan leerkrachten die niet in Amsterdam werken. Met andere woorden, de mening van Amsterdamse leraren over de cognitieve capaciteiten van hun leerlingen blijkt een belangrijke rol te spelen bij het verschil in kans op een lwoo-advies. Het zou kunnen zijn dat hierdoor in Amsterdam meer dan elders leerlingen met een zekere achterstand worden onderzocht met het oog op een lwoo-advies. Dit leidt er vervolgens toe dat er zo meer leerlingen dan elders ook feitelijk in het lwoo-traject terechtkomen.

Over het onderzoek zegt onderzoeker Sjoerd Karsten in de Volkskrant: “Die verschillen hebben niets te maken met hun werkelijke intelligentie. Sterker: de kinderen die in Amsterdam een lwoo-advies krijgen, blijken slimmer dan lwoo’ers elders in Nederland. De leerkrachten geven de verwijzing ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Ze gunnen hun extra zorg op het vmbo. Maar het is natuurlijk de vraag of ze er beter van worden.”

Als kinderen een leerachterstand van meer dan 1,5 jaar hebben, krijgen ze na acht jaar basisschool een lwoo-advies. Ze gaan naar het vmbo, waar met extra begeleiding geprobeerd wordt hen een diploma te laten halen. Bij meer dan 3 jaar achterstand volgt praktijkonderwijs.

Karsten vreest dat leerlingen zo ten onrechte al vroeg voorbestemd worden voor de laagste onderwijsvormen en zich er later niet meer aan ontworstelen. “En omdat niet alle scholengemeenschappen lwoo aanbieden, ontstaan zo op sommige vmbo-scholen grote concentraties zorgleerlingen. Het is zeer de vraag of zij de vereiste begeleiding krijgen.”

Karsten vermoedt dat de zogeheten Kernprocedure mede verklaart waarom juist in Amsterdam zo vaak zo laag wordt doorverwezen. Hierin staan de afspraken van alle Amsterdamse basisscholen voor doorverwijzing naar het voortgezet onderwijs. “Veel scholen redeneren: liever te vaak voor het lwoo getest dan te weinig. Maar als je meer kinderen zo’n test afneemt, ligt het in de rede dat er ook meer gevonden worden.”

Ook pakt de gebruikte testmethode ongunstig uit voor kinderen met een taalachterstand. Karsten beveelt daarom aan de toetsresultaten voor allochtone kinderen hierop te corrigeren. Verder bepleit hij meer leertijd: “Desnoods op zaterdag en woensdagmiddag. Het gaat erom dat de lestijd effectief gebruikt wordt.”