“Het staat of valt bij echte betrokkenheid”

Onderstaand artikel is onder de titel ‘Context’ afkomstig uit het boekje “Het staat of valt bij echte betrokkenheid”, Inventarisatie van de ouderbetrokkenheid in de Brede School in Osdorp, Menno van de Koppel, 2005.

Lange adem en samenhang

De voordelen van inbedding van ouderbetrokkenheid in de schoolcultuur zijn evident.
 Het partnerschap van ouders en school in de opvoeding van het kind vraagt om een nauwe samenwerking en daar waar kinderen en ouders extra hulp kunnen gebruiken bij onderwijs en opvoeding kan die het beste gegeven worden als er een vertrouwensrelatie bestaat tussen ouders en school.

Helaas is de werkelijkheid minder eenvoudig en bestaat er geen korte route naar succes. Er zijn flink wat onderzoeken die vraagtekens zetten
bij de effectiviteit van ouderbetrokkenheid in het algemeen en bij de extra aandacht voor kind en ouder op de voorschool in het bijzonder. Al speelt daarbij wellicht ook het feit een rol dat uit ouderbetrokkenheid behaalde maatschappelijke winst moeilijker meetbaar is dan verbetering van leerresultaten. In ieder geval wint het inzicht terrein dat succesvolle ouderbetrokkenheid een kwestie van lange adem is en van samenhang in het aanbod.

Dit geldt zeker voor ouderbetrokkenheid die gericht is op het vergroten van de kansen van achterstandskinderen. Daarbij springen twee onderwerpen in het oog die door
 de geïnterviewde directeuren genoemd worden waarbij de scholen afhankelijk zijn van een succesvolle samenwerking met partnerinstellingen. Ten eerste cursusaanbod voor ouders gericht op voldoende beheersing van het Nederlands zodat zij het kind thuis kunnen ondersteunen bij de schoolloopbaan, en ten tweede inspanningen op het gebied van opvoedingsondersteuning.

De vereiste lange adem en samenhang in ondersteuning brengt ook met zich mee dat interne begeleiders op scholen ingesteld dienen te zijn op continue afstemming met de ring van hulpverleners om de scholen heen op het gebied van onderwijs, maatschappelijke hulpverlening en gezondheidszorg.

Concreet betekent dit alles voor scholen dat het verstandig is lopende of geplande losstaande activiteiten in te bedden in een planmatige aanpak. Dat voorkomt de teleurstelling dat het resultaat uit de inspanningen snel weer verdampt. En het vergroot de kans op succes wanneer inspanningen en visie op elkaar afgestemd worden. Wat de lange adem bij ouderbetrokkenheid betreft geldt dat, net als bij het leertraject, planning voor de duur van de hele schoolloopbaan van het kind de voorkeur verdient.

Een pleidooi voor een planmatige aanpak, het formuleren van ouderbeleid in samenhang met de schoolvisie, is vanzelfsprekend geen pleidooi voor meer bureaucratie binnen de school. Aanbrengen van samenhang is hier niets anders dan het koppelen van activiteiten op het gebied van ouderbetrokkenheid aan reeds bestaande kaders, of het aanpassen van bestaande kaders om plaats te bieden aan die activiteiten.

De plek die ouderbetrokkenheid in het grotere geheel krijgt zal afhangen van ideële zaken als de levensbeschouwelijke richting van de school en de schoolvisie, en van praktische zaken als de dynamiek in het team en de samenstelling van de schoolpopulatie en de reeds geleverde inbreng van ouders.

Over het algemeen geldt dat inpassing
van het ouderbeleid in de schoolvisie meer richting geeft aan de gezamenlijke inspanningen van teamleden, ouders en leerlingen. De verwachtingen over en weer en ieders verantwoordelijkheid en rol ten aanzien van het grotere gemeenschappelijke doel zijn duidelijker dan bij ad hoc ouderbetrokkenheid activiteiten. Dit komt de motivatie van alle betrokkenen, het schoolklimaat en de kans op succes ten goede.

Schoolkeuze

Ouderbetrokkenheid bij het onderwijs begint bij de schoolkeuze. In het recente rapport Ouders over opvoeden en school van het Sociaal Cultureel Planbureau wordt beschreven waarop ouders hun schoolkeuze baseren en hoe die uiteindelijk tot stand komt. De meeste ouders nemen zich voor om bij de schoolkeuze de kwaliteit van de school het zwaarst te laten wegen. In de praktijk blijken ze echter hun keuze vooral te baseren op het even ongrijpbare als belangrijk gevonden begrip ‘sfeer’, en op de reputatie en bereikbaarheid van de school. Deze wat pragmatische houding heeft wellicht ook te maken met het feit dat veel ouders er
niet echt in slagen (of misschien weinig moeite doen) om een diepgaande vergelijking tussen de beschikbare scholen te maken.

Toch wordt van ouders verwacht dat zij
een school vinden voor hun kind die aansluit
bij hun opvoedingsopvatting. In Ouders over onderwijs en opvoeding heet dat heel mooi: “Ouders bezinnen zich op hun wensen en zoeken een school die bij hen en hun kind past.” Maar ouders hebben nog nauwelijks of geen ervaring met het beoordelen van onderwijs op het moment dat zij deze verreikende beslissing voor hun (eerste) kind moeten nemen (volgende kinderen gaan vaak naar dezelfde basisschool). Het is zelfs zeer de vraag of zij, zonder daarover bevraagd te worden, in staat zijn hun eigen opvoedingsopvattingen te verwoorden en te toetsen aan die van de school.

Daarbij komt dat scholen nogal eens de neiging hebben ouders als leveranciers van kinderen te zien. Het komt zelden voor dat scholen ouders aansporen om ook op andere scholen rond te kijken of hun kind daar misschien beter zou passen.

Aan de hand van de wettelijk verplichte schoolgids kunnen ouders zich een beeld vormen van de school. De ene schoolgids is explicieter dan de andere waar het gaat om de rol van de ouders, de nagestreefde opvoedingsdoelen en de werkwijze van de school.
In het schoolplan, eveneens verplicht in het kader van het door de overheid geïnitiëerde kwaliteitsbeleid, wordt dieper op de inhoud ingegaan. Daarin worden het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en de kwaliteitszorg inzichtelijk gemaakt voor personeel, ouders en inspectie. In de praktijk is het schoolplan echter vaak een, voortdurend bijgesteld, intern beleidsdocument. Er zijn weinig scholen die het schoolplan actief aan ouders voorleggen als informatiebron, afgezien van de wettelijk vereiste besluitvorming via de medezeggenschapsraad.

Gelukkig zijn er ook scholen die veel tijd en aandacht besteden aan intakegesprekken met ouders waarin de wederzijdse verwachtingen ter sprake komen. Een weloverwogen schoolkeuze vergroot immers de kans op het welbevinden van het kind èn van de leekrachten.

Qua richtingen zijn in Osdorp openbare, islamitische, protestants-christelijke en rooms- katholieke scholen vertegenwoordigd. Qua onderwijsstromingen regulier onderwijs (met verschillende accenten op zelfstandigheid), Dalton, Ervaringsgericht Onderwijs, Jenaplan en Montessori. Dit palet is redelijk complementair qua levensbeschouwelijke en pedagogisch- didactische opvattingen. Het biedt een ruime schoolkeuze waarbij het mogelijk zou moeten zijn om te bewerkstelligen dat iedere school bevolkt wordt door een maximaal gemotiveerde populatie.

Opvoeding

Ouders gelden nog steeds als eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. Kundig opvoeden vraagt dat ouders hun kinderen liefdevol grootbrengen en structuur, verzorging en bescherming bieden. Ze stimuleren daarbij de ontwikkeling van hun kinderen door kennis, normen en waarden over te dragen.

Voor de school ligt het zwaartepunt eerder bij de ontwikkeling van kennis en vaardigheden van kinderen vanuit een professionele en betrokken houding.

De grens tussen opvoeding en onderwijs is echter diffuus. Ook scholen doen aan opvoeding en normen en waarden overdracht, zeker in het licht van de tendens om ook in het onderwijs meer nadruk te leggen op burgerschap. En ook ouders spelen een rol in de ontwikkeling van kennis en vaardigheden van hun kinderen.

Wat verder nog het beeld kan vertroebelen in de afstemming tussen ouders en school is onduidelijkheid over de gehanteerde opvoedingsmethode. Tegenwoordig is een opvoeding gangbaar die kinderen overtuigt op basis van argumenten. De meer traditionele en ook door veel allochtone ouders aangehangen opvoeding is meer gebaseerd op gehoorzaamheid. Al
moet gezegd worden dat het ook hier om een kunstmatig onderscheid gaat, waarbij de grenzen tussen de verschillende opvoedingsmethodes vloeiend zijn.

Opvoedingsdoelen

De op argumenten gebaseerde opvoeding is product van het in de Westerse samenleving dominerende individualisme en streeft opvoedingsdoelen na als kritisch denken, zelf keuzes maken en zelf verantwoording afleggen: het beoogt de onafhankelijkheid van het individu. Daarmee kunnen deze opvoedingsdoelen in één woord worden samengevat als ‘zelfstandigheid’.
 De meer traditionele opvoeding vindt zijn wortels in een maatschappijvisie waarin het individu juist afhankelijk is van anderen,
 en legt daarom de nadruk op onderlinge verbondenheid en familiebanden. Het is gericht op het voldoen aan vanuit de gemeenschap opgelegde waarden en normen en het dragen van verantwoordelijkheid voor opgedragen taken. Deze opvoedingsdoelen kunnen worden samengevat als ‘volgzaamheid’, of met de in de literatuur gangbare term ‘conformiteit’.

Van een tegenstelling tussen de opvoedingsdoelen zelfstandigheid en conformiteit is steeds minder sprake omdat de verschillen geleidelijk aan verwateren. Onder invloed van het waarden en normen debat beleeft conformiteit een revival onder veel jonge ouders, maar dan in een meer op innerlijke overtuiging dan op gezag gebaseerde vorm. Veel allochtone ouders blijken op hun beurt geleidelijk aan meer ruimte toe te laten voor individualisme in de opvoeding.

Wat voor een goed begrip verder nog van belang is, is inzicht in welk gewenst gedrag verbonden is aan de verschillende opvoedingsdoelen. Bij conformiteit past vanzelfsprekend het nastreven van goede manieren en respect voor ouderen en autoriteit. Bij zelfstandigheid vinden opvoeders sociale vaardigheden als rekening houden met anderen en verdraagzaamheid belangrijk, omdat zelfstandigheid anders ontaardt in egoïsme.

Verwachtingen

Het eerder aangehaalde SCP-rapport Ouders over opvoeden en onderwijs stelt dat hoger opgeleide ouders over het algemeen meer verwachtingen koesteren ten aanzien van de school op het gebied van zelfstandigheid en dat de verwachtingen van lager opgeleide ouders meer liggen in de richting van conformiteit.

Deze verschillen worden toegeschreven aan de wens van lager opgeleide ouders om hun kinderen via het onderwijs een kans te geven hoger op de maatschappelijke ladder
te komen. Conformiteit is daarmee duidelijk prestatiegericht, en komt ook tot uiting in een voorkeur voor leerstofgericht onderwijs.

Hoger opgeleide ouders zijn vanuit hun doorgaans relatief welvarende positie meer gericht op het welbevinden van hun kind en
zien zelfstandigheid op de basisschool als een eerste stap in de zelfbepaling van hun kind, om tezijnertijd een passende plek in de maatschappij te vinden. Zij hebben daarom ook vaak een voorkeur voor meer leerlinggericht onderwijs.

Allochtone ouders kunnen vanwege
hun immigratie achtergrond extra hoge verwachtingen hebben van het onderwijs voor hun kind. Ze stellen op voorhand veel vertrouwen in de school en kennen de school ook vaak navenant veel autoriteit toe. Wat
er toe kan leiden dat zij niet snel uit zichzelf een dialoog met de school aan zullen gaan. Verdere barrières zijn onbekendheid met het Nederlandse onderwijs en taalproblemen.

Maar een dialoog tussen ouders en school is juist wenselijk, en niet alleen met allochtone ouders maar met alle ouders. Er zijn tal van meningsverschillen en conflicten mogelijk wanneer de visies van ouders en school op opvoedingsdoelen uiteenlopen. In een dialoog kunnen uiteenlopende visies en verwachtingen ten aanzien van opvoedingsdoelen naar elkaar toe gebogen worden tot een convergerende, gezamenlijk gedragen aanpak.

Misverstanden

Ter illustratie worden hieronder een viertal veel voorkomende misverstanden of problemen geschetst die zich regelmatig voordoen wanneer een werkelijk betrokken dialoog tussen ouders en school achterwege is gebleven.

Nuances

In de eerste plaats is er in plaats van duidelijk
te onderscheiden verschillen in opvoedingsmethode en doelen eerder sprake van nuances zoals mag blijken uit het voorgaande. Dat betekent dat deze notities slechts opgevat kunnen worden als een hulpmiddel om tot een begrip van de situatie te komen. Bovendien blijken veel ouders tot aanpassing van hun inzichten bereid. In een dialoog over opvoeding en school dienen ouders daarom als individu tegemoet getreden te worden en niet als lid van een groep. Bovendien zal in een dialoog ook de school tot verandering van inzicht kunnen komen als het kennis heeft genomen van de beweegredenen en argumenten van individuele ouders.

Probleemgedrag

Een tweede bron van misverstanden ligt in
het feit dat op veel scholen de communicatie over opvoedingsdoelen pas ontstaat als er sprake is van probleemgedrag. Daarmee wordt de pedagogische taak van scholen feitelijk gereduceerd tot een voorwaarde om lesgeven mogelijk te maken. Dit ondanks het feit dat ouders de school juist zien als een omgeving bij uitstek om te leren socialiseren.

Dergelijke misverstanden kunnen worden voorkomen als scholen reeds voordat zich problemen voordoen met ouders in gesprek gaan om uit te leggen dat een duidelijke structuur, een veilige omgeving en consequent gehandhaafde afspraken en regels het functioneren op school (en thuis) mogelijk maken. In de dialoog met ouders kan de school dan tegelijkertijd aangeven dat de school naast deze meer functionele voorwaarden wel degelijk oog heeft voor de sociale vaardigheden waar ouders zoveel waarde aan hechten, maar waarvoor de inspanningen zich meestal aan het zicht van de ouders onttrekken.

Taakverzwaring

Een derde punt van wrijving schuilt in de ervaring van leerkrachten dat er een taakverschuiving plaatsvindt van gezin naar school. Naast de uitbreiding van de hoeveelheid tijd die kinderen op school doorbrengen met overblijf en naschoolse opvang wordt daarbij vooral gedoeld op een zwaardere verantwoordelijkheid voor leerkrachten in de opvoeding, die men niet altijd bereid is volledig te dragen.

Een kanttekening die daarbij gemaakt kan worden is dat de zwaardere last in de praktijk vooral veroorzaakt wordt door een geringere homogeniteit in de schoolpopulatie. Daarmee wordt van leerkrachten niet alleen verwacht dat ze om kunnen gaan met cognitieve verschillen tussen leerlingen, maar ook met opvoedkundige verschillen. Een veelgehoorde klacht daarbij is dat de opleidingen nog onvoldoende aandacht hebben voor interculturele verschillen.

Om zicht te krijgen op eventuele verschillen en op mogelijkheden om verschillen te overbruggen is een dialoog tussen school
en ouders een absolute vereiste. Dat hoeft niet in alle gevallen te leiden tot het volledig samenkomen van de opvoedingsvisies van school en ouders. Als er maar duidelijkheid is en ruimte voor wederzijds begrip zijn verschillen (mits ze niet te ver uit elkaar liggen) acceptabel en ook draaglijk voor kinderen die zich soms moeten handhaven in twee werelden.

De vele gedaanten van zelfstandigheid

Een vierde bron van misverstanden is een verschil in beleving van het sleutelbegrip in onderwijsland zelfstandigheid. Blijkens de literatuur beschouwen met name sommige allochtone ouders zelfstandigheid vooral als een zaak van zelfredzaamheid, functioneel om te slagen in de buitenwereld. Maar in de eigen kring blijven de conformistische doelen voorop staan. Terwijl hoger opgeleide ouders zelfstandigheid veel eerder zullen associëren met zelfontplooing.

En hierin schuilt misschien wel het hardnekkigste misverstand. Uit de statistieken van het SCP mag dan blijken dat ouders, wanneer ze in een enquete voor de keuze gesteld worden, een voorkeur uitspreken voor conformiteit of zelfstandigheid, keurig opgedeeld in cohorten van respectievelijk laag opgeleiden en hoog opgeleiden. De scholen hebben echter in hun onderwijspraktijk te maken met de kerndoelen waarin zelfstandigheid met wat goede wil
als einddoel te onderscheiden is met als voorstadium enige mate van conformiteit. Ook in Osdorp wordt de term zelfstandigheid veel toegepast, zoals uit de interviews blijkt.

Dat betekent dat scholen er niet alleen bij
gebaat zijn structureel gedurende de hele schoolloopbaan van het kind met de ouders
te communiceren welke opvoedingsdoelen stapsgewijs nagestreefd worden. Maar dat
het ook van belang is om te expliciteren wat school en ouders voorstaan met het veelvuldig gebruikte maar voor velerlei interpretatie vatbare kernbegrip zelfstandigheid.