Dyslexie op school

In dit artikel wordt uitgelegd wat dyslexie is en wat mogelijke signalen zijn. Daarnaast wordt ingegaan op de rol van de school bij het signaleren van dyslexie, het begeleiden van (mogelijk) dyslectische leerlingen en bij het doorverwijzen naar een kliniek. Het belang van een goede communicatie tussen ouders, school en behandelaar wordt benadrukt. Afsluitend worden er tips gegeven voor ouders van een dyslectische zoon of dochter.

De eerste keer dat een kind thuiskomt met de eigen naam vol trots op een tekening gekrabbeld. Dat het wijst naar een letter op een reclamebord en roept ‘daar is de m’. Dat het vraagt als je voorleest ‘wat staat daar? Het zijn allemaal tekenen aan de wand. Het echte lezen en schrijven kan niet ver weg meer zijn. Nog even en je leest samen de eerste boekjes. Een mijlpaal voor veel ouders. En misschien nog wel meer voor het kind zelf. Want leren lezen en schrijven is echt leren. Dan ben je pas werkelijk groot.

Voor een deel van de kinderen is leren lezen en schrijven echter niet zo vanzelfsprekend. Zo’n 15% behoort bij de groep zwakke lezers en spellers. Ongeveer een kwart daarvan heeft dyslexie, 4% van alle kinderen. Maar waar kan je aan merken dat een kind mogelijk bij de groep dyslectici hoort? En wat betekent het voor de basisschool en ouders als een kind deel uitmaakt van die 4%?

1. Wat is dyslexie eigenlijk?

Definitie

Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en vlot toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau (Stichting Dyslexie Nederland 2008).

Kenmerken van dyslexie

Bij dyslexie wordt de achterstand in het lezen en spellen veroorzaakt door een stoornis in het recoderingsmechanisme; het vertalen van letters/woorden in klanken en vice versa. Dyslexie is een op zichzelf staande handicap, het is verschillend van en niet te herleiden tot andere handicaps. Het vindt zijn oorsprong in een vertraagde of gebrekkige taalontwikkeling en hoewel de precieze oorzaak nog niet wetenschappelijk is aangetoond, is bekend dat er sprake is van een erfelijke component waarbij verschillende genen een rol spelen. Heeft een kind een ouder die dyslectisch is, dan heeft het ongeveer 40% kans er ook aanleg voor te hebben.

Uitval in groep 3

Bij een kind dat moeite heeft met lezen en spellen hoeft er geen sprake te zijn van dyslexie. Toch zijn dat wel vaak de eerste signalen die door ouders en school worden opgemerkt en die mogelijk de aanwezigheid van dyslexie verraden. Dit gebeurt veelal in groep 3. Soms blijkt al na een paar weken dat een kind de groep niet kan bijbenen. Het enthousiasme waarmee het aanvankelijk de klas in huppelde verandert dan in tegenzin. Als kinderen de conclusie moeten trekken dat hun klasgenootjes iets kunnen wat voor hen een onbegrijpelijke magische handeling blijft, lopen hun reacties uiteen van tegendraads gedrag, verlammende onzekerheid of manmoedige pogingen het onvermogen te verbloemen. Duurt een dergelijke situatie te lang voort zonder dat er adequaat wordt gereageerd door leerkrachten en ouders, dan kan de frustratie hoog oplopen en lijkt het leren lezen verder weg dan ooit. Vroegtijdige signalering en een gestructureerde aanpak zijn essentieel om de schoolcarrière van een kind met dyslexie zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen.

2. Het signaleren van dyslexie en voorspellers voor een goed verlopende leesontwikkeling

 Vroegtijdige onderkenning in groep 1 en 2

Gelukkig kunnen kinderen die een verhoogd risico lopen op lees- en spellingsproblemen al voor de start van het leesonderwijs worden gesignaleerd. Op veel scholen wordt er al in de kleutergroepen kritisch gekeken naar de prestaties van de leerlingen op het gebied van het voorbereidend lezen en spellen, omdat vroegtijdige interventies lees- en spellingsproblemen kunnen verminderen of voorkomen Scholen kunnen hiervoor observatie-instrumenten gebruiken, ook de Cito-toetsen ‘Taal voor Kleuters’ zijn een veel gehanteerd middel.

Fonologisch bewustzijn

Belangrijke voorspellers voor een voorspoedig lopende leesontwikkeling zijn het fonologisch bewustzijn, letterkennis en benoemsnelheid. Onder fonologisch bewustzijn wordt het rijmen verstaan, maar ook het verdelen van een woord in klankgroepen, zoals laar-zen of het weer samenvoegen hiervan. Verder het verdelen en weer samenvoegen van een woord in letters b- o-o-m en het vervangen of weglaten van een letter in een woord.

Letterkennis en benoemsnelheid

De letterkennis houdt in dat kinderen in staat zijn een klank correct te koppelen aan de corresponderende letter en dat ze bij het zien van een letter de juiste klank kunnen noemen. Hierbij is niet enkel het aantal goed en fout van belang, maar ook het tempo waarin het kind de juiste verbinding tussen klank en teken legt, oftewel de benoemsnelheid. Momenteel hanteren veel scholen de eis dat aan het eind van groep 2 de kinderen minimaal 16 letters moeten beheersen.

Vroege interventies

Als halverwege groep 2 blijkt dat het fonologisch bewustzijn en de letterkennis van een kind zich trager of nauwelijks ontwikkelen is dit voor de school het startsein extra instructie en begeleiding in te zetten. Een kind dat de kleuterperiode afsluit met een onvoldoende ontwikkeld fonologisch bewustzijn en dat onvoldoende letters beheerst heeft direct vanaf de start van groep 3 extra ondersteuning nodig op beide gebieden.

Onderbouwing van een vermoeden van dyslexie

Om mogelijke dyslexie al op school te kunnen signaleren is het van groot belang dat de vordering in de ontwikkeling van de geletterdheid zorgvuldig en systematisch wordt gevolgd en dat er passende interventies worden verricht. Om een vermoeden van dyslexie te kunnen onderbouwen is het noodzakelijk aan te tonen dat de achterstanden ernstig zijn en niet verminderen na planmatige, systematische en taakgerichte hulp door leerkrachten en remedial teachers. Kortom, de problematiek moet hardnekkig zijn en niet verbeteren ondanks juiste en voldoende didactische ondersteuning.

3. Verwijzing naar een leeskliniek

Eisen aan een verwijzing

Als een basisschool de hardnekkigheid kan aantonen, mag de school een kind verwijzen naar een gecertificeerd orthopedagoog of psycholoog om met onderzoek dyslexie vast te stellen. Scholen dienen hierbij geëvalueerde handelingsplannen aan te leveren, waaruit blijkt dat er gedurende een periode van twee keer twaalf weken (een half jaar!) minimaal drie maal twintig minuten per week extra individuele instructie is geboden. Daarnaast zal uit de resultaten van drie opeenvolgende toetsen nauwelijks vooruitgang moeten blijken.

Wanneer

Dyslexie wordt niet vaak voor groep 4 vastgesteld. Omdat een leerling pas vanaf een leeftijd van zeven jaar in aanmerking komt voor vergoede diagnostiek en behandeling en de hardnekkigheid van de problematiek in toetsresultaten moeten worden aangetoond.

Verantwoordelijkheid

Het signaleren, het juist en gestructureerd interveniëren en volgen van de vorderingen van het kind en indien nodig doorverwijzen vallen onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs. De diagnostiek en de behandeling vallen onder de verantwoordelijkheid van de zorg.

Vergoeding

Als een kind geen andere leer en/of gedragsstoornissen heeft en tot de zwakste 10% op lezen behoort, of tot de zwakste 16% op lezen en de zwakste 10% op spelling, komt het in aanmerking voor de vergoedingsregeling. In overige gevallen komt het kind niet in aanmerking voor de vergoeding, maar kan er wel sprake zijn van dyslexie. Er bestaan voor deze kinderen andere mogelijkheden om hulp gedeeltelijk of volledig vergoed te krijgen. Meer informatie hierover is te vinden op bij de Stichting Dyslexie Nederland, bij Oudervereniging Balans en bij Masterplan Dyslexie.

4. Dyslexie. En nu?

Behandeling van dyslexie

Als dyslexie is vastgesteld gaan ouders zelf op zoek naar een behandelaar. De school kan hierin een adviserende rol spelen. Dyslexie kan behandeld worden in een dyslexie-instituut, door remedial teachers, logopedisten, orthopedagogen en psychologen. Zoeken naar een gecertificeerde dyslexiebehandelaar kan o.a. op de volgende websites:

Buiten of onder schooltijd?

Enkelvoudige ernstige dyslexie wordt behandeld op indicatie, zoals bijvoorbeeld logopedie en fysiotherapie. Daarom is het mogelijk de behandeling onder schooltijd te laten plaatsvinden. De school moet echter wel kunnen beargumenteren waarom het noodzakelijk is dat de behandeling ten koste gaat van reguliere lestijd. Gezien de grote belemmering die dyslexie vormt, hebben school en leerling allebei belang bij de specialistische behandeling. Deze behandeling kan het leerrendement immers aanzienlijk verhogen. Bij kinderen tussen de zeven en negen jaar is een dyslexiebehandeling na schooltijd vaak minder effectief omdat vermoeidheid de kinderen parten speelt. Duidelijke afspraken en goed overleg tussen ouders en school zijn van belang om tot een constructie te komen die voor alle partijen werkbaar is.

Onderlinge communicatie

Om een optimaal resultaat te boeken moeten de aanpak op school en die van de behandelaar op elkaar zijn afgestemd. De leerkracht houdt de behandelaar op de hoogte van de vorderingen van de leerling. En voor de leerkracht is het prettig in grote lijnen op de hoogte te zijn van de inhoud van de behandeling. Er zijn scholen die de eigen begeleiding aanpassen aan de begeleiding die het kind ontvangt buiten school. Deze aanpassing houdt in dat de inhoud van de instructie wordt afgestemd op de instructie van de behandelaar. Externe begeleiding mag er nooit toe leiden dat de school geen aandacht meer besteedt aan passend lees– en spellingsonderwijs. De school blijft verantwoordelijk voor het bieden van goed onderwijs en adequate ondersteuning en begeleiding.

5. De rol van ouders

De spin in het web

Als ouder ben je in het proces van het onderkennen van dyslexie de centrale figuur. Als de leesproblemen gesignaleerd zijn door de school en de school een leerlingdossier heeft opgebouwd dat aan de eisen van een doorverwijzing voor dyslexieonderzoek voldoet, melden de ouders het kind aan bij een gekwalificeerd specialist. De specialist koppelt de resultaten terug aan de ouders, die op hun beurt weer terugkoppelen naar de school. Een goede afstemming tussen de aanpak op school en die van de behandelaar komt veelal tot stand door inspanning van de ouder. De ouder brengt de verbinding tussen specialist en school tot stand of vormt zelf de verbinding.

Het ondersteunen van je kind

Een kind met problemen met leren lezen heeft hulp nodig. Niet enkel op school, maar ook thuis. Wat houdt deze hulp precies in?

  • Bied steun. De relatie tussen jou en je kind moet ontspannen zijn, wees positief en bemoedigend. Zorg dat het leuk is voor je kind om samen met jou te lezen.
  • Help regelmatig en met volle aandacht. Het is effectiever vier keer per week een kwartier intensief te lezen dan een keer per week een uur.
  • Volg de adviezen van de leerkracht. De hulp thuis en de begeleiding op school leveren het meest op als zij in elkaars verlengde liggen.
  • Weet hoe je moet helpen met het leren lezen. Weet welk leesmateriaal je moet kiezen, hoe je iets voor moet doen, samen moet lezen en fouten moet corrigeren. Vraag hierin advies aan de leerkracht of kijk op de website van het Steunpunt Dyslexie  bij tips voor het samen lezen van een leesboekje en hoe om te gaan met leesfouten.
  • Verder is het oefenen van letters en klanken eenvoudig te doen op de computer. Op bijvoorbeeld de websites van Lexima en het Steunpunt Dyslexie zijn verschillende programma’s te vinden en aan te schaffen.
  • En vergeet niet: lezen is leuk! Elke avond voorlezen is behalve goed voor de sfeer ook goed voor het begrijpend kunnen luisteren, voor verhaalbegrip en de leesmotivatie.Voorwaarde om iets te kunnen leren is het weer durven en willen. En die laatste twee kan je als ouder als geen ander stimuleren.

Tot slot

Een kind met lees- en spellingsproblemen is een kind dat veel extra zorg nodig heeft. Leesproblematiek werkt immers belemmerend in alle vakgebieden. Hoe eerder school, zorg en ouders de handen ineenslaan om het kind te begeleiden, hoe groter de kans dat een kind in staat is de problematiek het hoofd te bieden. Al gaat dyslexie nooit over. Ook na systematische hulp zullen leerlingen met dyslexie altijd een zekere achterstand hebben. De mate waarin een kind er last van heeft hangt af van de leeftijd, het onderwijsaanbod en de intellectuele vermogens om de lees-/spellingsproblemen te compenseren.

Bronnen

Gijsel, M., Scheltinga, F., Druenen van, M., Verhoeven, L. (2011) Protocol Leesproblemen en Dyslexie groep 3: Expertisecentrum Nederlands.

Gijsel, M., Scheltinga, F., Druenen van, M., Verhoeven, L. (2011) Protocol Leesproblemen en Dyslexie groep 4: Expertisecentrum Nederlands.

Verhoeven, L., Wentink, H. (2008) Onderkenning en aanpak van leesproblemen en dyslexie: Antwerpen/Apeldoorn: Garant.