Kansenongelijkheid door onderadvisering gewichtenleerlingen

Overgangen zijn bepalende momenten voor de schoolloopbaan van leerlingen. Het zijn ook kwetsbare momenten, waarbij met name gewichten- of risicoleerlingen kans lopen om onderschat te worden. Het risico op onderschatting speelt onder meer bij de overgang po-vo, van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Amsterdamse cijfers over 2015–2018 laten zien dat scholen met veel gewichtenleerlingen vaker onderadviseren dan scholen met weinig of geen gewichtenleerlingen. Het lijkt erop dat gewichtenleerlingen juist vanwege hun ongunstige thuisomstandigheden minder vaak het voordeel van de twijfel krijgen.

Gewichtenleerlingen worden vaker onderschat

Het risico op onderschatting van gewichtenleerlingen is vanaf schooljaar 2014/15 groter geworden, zo stelde de Inspectie van het Onderwijs vast in het Onderwijsverslag 2014-2015 (zie p. 22). In dat jaar is het schooladvies leidend geworden voor de toegang tot het voortgezet onderwijs.

Het toetsadvies, opgesteld op basis van de uitslag van de eindtoets, speelt pas in tweede instantie een rol. Alleen als het toetsadvies hoger is dan het schooladvies, dient de school het advies te heroverwegen. Maar zonder de verplichting het schooladvies ook daadwerkelijk te verhogen. De wet vereist wel dat de school motiveert waarom het advies niet wordt opgehoogd.

Ook in eerdere jaren, zo stelde de inspectie in genoemd verslag, was al te zien dat de verschillen tussen kinderen van hoog en laag opgeleide ouders groter zijn geworden, met name omdat de hoogte van de adviezen voor leerlingen met laag opgeleide ouders daalt. Echter, zo waarschuwt de inspectie, in “2014/2015 is deze daling sterker dan in de jaren ervoor” (p. 22).

Het toetsadvies en het schooladvies

De eindtoets is een instrument om zo objectief mogelijk en zonder vooroordelen, kennis en vaardigheden te meten die de leerling aan het eind van de basisschool heeft verworven. Werkhouding, inzet, motivatie, voorgeschiedenis, thuisomstandigheden en dergelijke spelen in het toetsadvies geen rol.

Het schooladvies geeft uitdrukking aan de schoolsoort die het beste bij de leerling past. Dat impliceert dat leraren niet alleen een inschatting moeten maken van de schoolvorderingen, maar ook moeten afwegen of er nog andere factoren zijn die het succes in het voortgezet onderwijs zouden kunnen bepalen.

Wat te doen met bijvoorbeeld leerlingen die vanwege hun thuissituatie niet de steun krijgen die ze nodig hebben? Of met leerlingen die vanwege een hoge afleidbaarheid een gebrekkige werkhouding laten zien?

Het toetsadvies wordt gezien als een onafhankelijk tweede gegeven – naast het schooladvies – maar wel met een vrijblijvend karakter. Een hoger toetsadvies hoeft  niet te leiden tot een correctie in de vorm van een hoger schooladvies. Hoe gaan basisscholen hiermee om?

In een eerdere blog over deze kwestie werd gevonden dat Amsterdamse scholen bij de voorgeschreven heroverweging in veel gevallen het schooladvies niet hebben verhoogd, ook al was het toetsadvies hoger dan het schooladvies. In 2016 betrof het ongeveer 500 van de 1.200 leerlingen die dit lot troffen. Zij kregen een hoger toetsadvies, maar niet het bijpassende schooladvies. Hoe is dat in latere jaren gegaan?

Nog steeds honderden leerlingen van wie het advies niet wordt verhoogd

In 2017 en 2018 bedroeg het aantal te heroverwegen schooladviezen ongeveer 1.200, net als in 2016 (zie Figuur 1 in bijlage).

Maar er heeft wel een verschuiving plaatsgevonden. Het aantal bijgestelde adviezen is toegenomen van omstreeks 500 in 2016 en 2017 naar ruim 750 in 2018. Omgerekend in procenten van het aantal heroverwegingen is dat een stijging van ongeveer 40 naar 62 procent. Meer leerlingen kregen dus een bijgesteld advies, zowel absoluut gezien als relatief.

Uit de cijfers over 2018 is overigens ook af te leiden dat 468 leerlingen géén verhoogd advies hebben gekregen. Dat zal voor de meesten een tegenvaller zijn geweest. Ondanks dat ze hebben laten zien meer te weten en te kunnen dan gedacht, werd hun advies niet verhoogd. En omdat het schooladvies leidend is, bleef een hogere opleiding op dat moment buiten bereik.

Veronderstelde kansenongelijkheid

Een vaker gestelde vraag is of scholen met meer gewichtenleerlingen anders adviseren dan scholen met weinig of geen gewichtenleerlingen.

De eerstgenoemde scholen zouden terughoudender kunnen adviseren, omdat ze (denken te) weten dat hun leerlingen van huis uit weinig steun krijgen.

En omgekeerd, de scholen met weinig gewichtenleerlingen zouden wat optimistischer kunnen adviseren, omdat ze (denken te) weten dat hun leerlingen profijt hebben van een schoolondersteunende thuisomgeving. Anders gezegd, zij zouden kunnen neigen tot overadvisering, het geven van een hoger advies dan op grond van de schoolvorderingen gerechtvaardigd lijkt.

Vier groepen scholen met een oplopend aandeel gewichtenleerlingen

Om deze veronderstellingen te toetsen zijn de ruim 200 Amsterdamse basisscholen ingedeeld in kwartielen, vier ongeveer even grote groepen, met een oplopend percentage gewichtenleerlingen.

De indeling is voor elk van de jaren 2015-2018 gedaan aan de hand van het aantal elf- tot veertienjarige gewichtenleerlingen op de school, precies dié leerlingen voor wie de adviezen zijn uitgebracht.

In de groep Q1 zitten de 25 procent scholen met de minste gewichtenleerlingen. In groep Q4 zitten de 25 procent scholen met de meeste gewichtenleerlingen. De groepen Q2 en Q3 vallen daar tussen in.

Overadvisering of hogere schooladviezen dan toetsadviezen

Overadvisering – gemakshalve zijn alle ‘overadviezen’ samengenomen, van een half punt of meer – vindt op Amsterdamse basisscholen inderdaad in ruime mate plaats. Grosso modo krijgt 40 procent van de leerlingen een hoger schooladvies dan toetsadvies. Hun leraren schatten hun mogelijkheden in het voortgezet onderwijs hoger in dan de eindtoets dat doet.

Blijkens (Figuur 2 in bijlage) is er géén overtuigende samenhang met het percentage gewichtenleerling in groep 8. Alleen in 2018 geldt hoe meer gewichtenleerlingen, des te minder overadviezen er zijn gegeven. De verschillen zijn evenwel tamelijk bescheiden.

Onderadvisering of lage schooladviezen dan toetsadviezen

Onderadvisering, dat wil zeggen dat het schooladvies lager blijkt dan het toetsadvies, komt in veel mindere mate voor dan overadvisering. Grofweg tien tot twintig procent van de leerlingen krijgt een hoger toetsadvies dan schooladvies, nopend tot heroverweging.

Maar hier blijkt dat er wèl sprake is van een verband met de samenstelling van de school. In alle vier de jaren geldt dat heroverwegingen vaker aan de orde zijn op scholen met veel gewichtenleerlingen dan op scholen met weinig gewichtenleerlingen. De samenhang is het sterkst in 2018 (figuur 3).

Bijgestelde of verhoogde adviezen

Het percentage bijgestelde adviezen is berekend ten opzichte van het aantal te heroverwegen adviezen. De trend is dat het percentage bijgestelde adviezen gezien over de tijd een stijgende lijn vertoont, van 39 procent in 2015 naar 62 procent in 2018. Alleen in 2015 blijkt het percentage bijstellingen samen te hangen met het aandeel gewichtenleerlingen op een school: minder bijstellingen op scholen in groep Q4 (de scholen met de meeste gewichtenleerlingen). Zie figuur 4.

Slotsom

In deze blog is op drie manieren gekeken naar hoe de veronderstelde kansenongelijkheid zich zou kunnen manifesteren. De slotsom is dat de cijfers slechts gedeeltelijk steun bieden aan de veronderstelde kansenongelijkheid bij de overgang po-vo.

  1. Deze ongelijkheid is niet het gevolg van ‘witte’ scholen die relatief hoge schooladviezen verstrekken. Want dit verschijnsel komt in alle vier de groepen scholen in min of meer gelijke mate voor (met uitzondering van 2018).
  2. Deze ongelijkheid is ook niet te wijten aan achterstandsscholen die bij heroverwegingen vaker voet bij stuk houden dan scholen met weinig of geen gewichtenleerlingen. Het percentage bijgestelde – lees: hogere – adviezen is in alle vier de scholengroepen ongeveer gelijk (met uitzondering van 2015).
  3. Maar wat wel blijkt, is dat scholen met veel gewichtenleerlingen relatief veel adviezen moeten heroverwegen. Omdat het heroverwegen alleen aan de orde is als het schooladvies lager uitvalt dan het toetsadvies, impliceert dit dat leraren op achterstandsscholen in hun eerste advisering relatief voorzichtig zijn. Deze vorm van ongelijkheid wordt niet gecompenseerd door een hoger percentage bijgestelde adviezen. Want zoals hiervoor bleek (zie onder b.), is het percentage bijgestelde adviezen in alle vier de schoolgroepen min of meer gelijk.

Vragen

Hoe komen basisschooladviezen tot stand, en, kan de manier waarop dat gebeurt een verklaring zijn voor de aangetroffen verschillen tussen scholen?

Rekenen basisscholen met ‘aftrekpunten’, bijvoorbeeld als de thuissituatie van een leerling ongunstig is, of als de inzet of het leergedrag te wensen overlaat?

Of is het misschien zo dat het lerarentekort vooral een desastreuze invloed heeft op scholen met veel gewichtenleerlingen, de Q3 en Q4 scholen? Immers, wisselende leraren of leraren met weinig ervaringsjaren zouden moeite kunnen hebben met een juiste inschatting van de capaciteiten van hun leerlingen.

Keuzegids VO Amsterdam 2019 en Kernprocedure voor de overstap PO-VO

De Amsterdamse schoolbesturen hebben afspraken gemaakt over hoe het schooladvies tot stand moet komen en over de factoren die daarbij in het geding zijn.

In de Keuzegids Voortgezet Onderwijs Amsterdam 2019 wordt hierover het volgende opgemerkt. In het schooladvies wordt uitdrukking gegeven aan “het soort onderwijs dat bij je past” (p. 10). En verder op dezelfde pagina … de school houdt bij de opstelling van het advies rekening met de leervorderingen (de cijfers), maar ook met “hoe jij het doet op school, wat je leuk vindt, wat je minder gemakkelijk vindt, wat je heel goed kan en hoe ze je het beste kunnen helpen.”

Een verdere specificatie is te vinden in de publicatie Kernprocedure Overstap PO-VO 2019, p.9. Naast de leervorderingen is er een reeks van andere factoren te overwegen, waaronder aandacht en concentratie, taakgerichtheid, enzovoorts.

Ook de thuissituatie wordt genoemd, samen met de opstelling van de ouders, aangeduid als onderwijsondersteunend gedrag en educatief partnerschap. Onduidelijk is of een ongunstige thuissituatie volgens de Kernprocedure tot een voorzichtiger of minder ambitieus schooladvies mag leiden.

Of mag men ervan uitgaan dat vo-scholen standaard ook gewichtenleerlingen de benodigde ondersteuning bieden?

De basisondersteuning

Dat lijkt zo te zijn. Basisscholen, zo gaat de Keuzegids verder, horen er vanuit te gaan dat alle vo-scholen de zogenoemde basisondersteuning bieden, de extra hulp die sommige leerlingen nodig hebben om op school succesvol te zijn.

“De hulp via de basisondersteuning kan te maken hebben met leren, maar ook met hoe je je lichamelijk of geestelijk voelt, of hulp bij een moeilijke thuissituatie. Als je bijvoorbeeld een leerachterstand hebt in taal of rekenen, of dyslectisch bent, kan je van school extra hulp krijgen. Het kan ook zijn dat je niet lekker in je vel zit, je niet prettig voelt in de klas of thuis problemen hebt. Daarover kan je op school met iemand praten, die samen met jou en je ouders gaat kijken welke ondersteuning het beste bij je past. De VO-school kan ook voor extra begeleiding zorgen als je je bijvoorbeeld moeilijk kan concentreren, te veel op je tenen moet lopen of het lastig vindt om je huiswerk goed te plannen. Of als je hoogbegaafd bent, kan de VO-school je meer uitdaging geven. Dit valt allemaal onder de basisondersteuning”
(Keuzegids Voortgezet Onderwijs Amsterdam 2019, p. 11).

De beloofde basisondersteuning is overigens pas vanaf schooljaar 2016/2017 in de Keuzegids vo opgenomen. In eerdere schooljaren is hierover geen melding te vinden. Het is de vraag of deze aanpassing voldoende tot alle basisscholen is doorgedrongen. De hier gepresenteerde cijfers kunnen daarop het antwoord niet geven.

Onderzoek nodig naar opstellen schooladviezen gewichtenleerlingen

Er is onderzoek nodig – in samenwerking met de scholen en de schoolbesturen – naar de manier waarop de schooladviezen tot stand komen, met name de schooladviezen voor gewichtenleerlingen. In dat onderzoek moeten zeker ook de heroverwegingen worden betrokken. Waarom leiden deze wel of niet tot een verhoogd advies? En zijn de overwegingen die daarbij worden ingebracht relevant en valide?

Bijlagen: figuren in bijlage en data in download

Figuren op basis van DUO open data, bewerking OCO:

Figuur 1
School- en toetsadviezen onderling vergeleken; Amsterdamse cijfers

Figuur 2
Het percentage schooladviezen dat hoger is dan het toetsadvies

Figuur 3
Het percentage heroverwegingen ten opzichte van het totaal aantal

Figuur 4
Het percentage bijgestelde adviezen ten opzichte van het aantal

Bekijk de figuren in de Bijlage.

Download de gegevens over het aantal heroverwegingen in Amsterdam in het Excelbestand dat is samengesteld met open data van DUO.