‘Leesvaardigheid ontwikkelt zich bij kinderen van binnenuit’

Geplaatst door Rosalie Anstadt op 13 oktober 2020
Volgens ontwikkelingspsycholoog Ewald Vervaet ontwikkelt de leesvaardigheid zich bij kinderen van binnenuit, in vier stappen: hakken – hakken en gissen – hakken en plakken – onmiddellijk lezen. In het huidige leesonderwijs domineert echter de visie dat leesvaardigheid van buitenaf aan te brengen is door middel van directe instructie. Daarom besloot Vervaet om een nieuwe leesmethode te ontwikkelen: Ontdekkend Leren Lezen (OLL). Deze methode bestaat uit vier delen, waarbij het eerste deel gericht is op ‘klank- en vormspel’ voor kleuters. Als een kind voldoende met klanken heeft gespeeld – thuis en op school – is het er aan het einde van die fase helemaal mee vertrouwd dat gesproken taal opgedeeld kan worden in afzonderlijke klanken. Met een leesrijpheidstoets kan de leerkracht vervolgens bepalen of het kind echt toe is aan de volgende stap: hakken en plakken, het eerste ‘echte’ lezen.

Ontwikkelingspsycholoog Ewald Vervaet doet al tientallen jaren onderzoek naar de psychologische ontwikkeling van kinderen tot acht jaar. Op basis van zijn onderzoeksresultaten stelt hij dat kinderen zich ontwikkelen in ontwikkelingsfasen en dat het onderwijs op die fasen afgestemd moet zijn: “Je moet een kind pas iets aanbieden als het hier neurologisch en psychologisch aan toe is.” Dit geldt ook voor het leesonderwijs: “Lezen ontwikkelt zich van binnenuit in fasen. Leesrijpheid staat hierin centraal.”

Op dit moment krijgen veel kinderen, misschien wel de meesten, leesonderwijs terwijl zij nog niet leesrijp zijn. Volgens Vervaet leidt dit tot negatieve effecten op de leesvaardigheid en -motivatie van kinderen. Daarom heeft hij in 2018 een nieuwe leesmethode uitgegeven: Ontdekkend Leren Lezen (OLL). Hierin krijgen kleuters nog geen letters aangeleerd, maar spelen zij met vorm en klank.

De leesontwikkeling in vier fasen

Vervaet onderscheidt in de leesontwikkeling vier stappen: hakken – hakken en gissen – hakken en plakken – onmiddellijk lezen. Over het algemeen maken kinderen de eerste twee stappen door in groepen 1 en 2 (kleuterfase) en de laatste twee stappen vanaf groep 3 (de fase van het jonge schoolkind).

Hakken

De eerste stap in de leesontwikkeling is ‘hakken’. Kleuters ontdekken dat letters een vorm hebben – “het is een soort figuurtje” – en dat het staat voor een klank. Ze herkennen bijvoorbeeld een paar figuurtjes uit hun eigen naam en kunnen de bijbehorende klank benoemen, zoals: l / a / r / s (spreek uit als: lu, ah, rrr, sss).

Hakken en gissen

De tweede stap in de leesontwikkeling is ‘hakken en gissen’. De kleuter kent een aantal letters en kan de bijbehorende klanken benoemen, bijvoorbeeld: b / i / g /. Vervolgens zegt het kind niet het woord ‘big’, maar gist het bijvoorbeeld: ‘beer’.

Hakken en plakken

De derde leesstap is ‘hakken en plakken’. Het jonge schoolkind (vanaf groep 3) leert nu ontdekkend lezen. Het leest de letters k / i / p / en plakt ze vervolgens aan elkaar tot het woord: ‘kip’.

Onmiddellijk lezen

De vierde stap is ‘onmiddellijk lezen’. Het jonge schoolkind hoeft niet meer te hakken en te plakken, maar leest onmiddellijk de woorden: ‘lars’, ‘big’ en ‘kip’.

Botsende visies: leesrijpheid versus vroege directe leesinstructie

Volgens Vervaet zou het leesonderwijs moeten uitgaan van de vier leesontwikkelingsstappen en leesrijpheid: “Leesvaardigheid ontwikkelt zich bij kinderen van binnenuit. Leesrijpheid staat daarin centraal.”

Maar volgens Vervaet domineert onder veel ontwikkelingspsychologen, onderwijskundigen en opvoedkundigen de onhoudbare visie dat leesvaardigheid van buitenaf aan te brengen is door middel van directe instructie.

Bovendien ontkennen velen van hen het bestaan van de vier leesontwikkelingsstappen. Dit komt volgens Vervaet omdat zij opgeleid zijn in een traditie die teruggaat tot 1929 toen Kohnstamm beweerde dat intelligentie van buitenaf verhoogd kan worden.

Vervaet: “Dit idee is geïnstitutionaliseerd doordat een leerling van Kohnstamm, Langeveld, in 1946 het Pedagogisch Instituut heeft opgericht in Utrecht. Daar komen alle hoogleraren, ontwikkelingspsychologen en onderwijskundigen vandaan. Het is een traditie, het is een school. En die heeft een zekere geslotenheid. Men sluit anderen uit.”

Door deze ‘dominante, onhoudbare visie’ starten de meeste kinderen in Nederland met een vorm van leesonderwijs in de kleuterklas, terwijl zij hier neurologisch en psychologisch nog niet aan toe zijn: “Letters flitsen in kinderdagverblijven, eisen dat een kind in groep 1 tien letters moet kennen, een programma als Bouw! dat al heel vroeg met kinderen aan de slag gaat; dit alles heeft slechts negatieve effecten. Er is geen kind eerder of beter door gaan lezen. Ja zelfs, ze zijn er allemaal slechter door gaan lezen. Kinderen in de kleuterfase, die voor een taak staan die boven hun mentale vermogen ligt, krijgen een afkeer van lezen en boeken en dat werkt de hele verdere schoolcarrière door.”

Ontdekkend leren lezen

Omdat leesrijpheid volgens Vervaet centraal staat in de leesontwikkeling, heeft hij een nieuwe leesmethode ontwikkeld: ‘Ontdekkend Leren Lezen’ (OLL). Deze methode bestaat uit vier delen, waarbij het eerste deel gericht is op ‘klank- en vormspel’ voor kleuters. Vervaet: “Een letter is een figuurtje dat voor een klank staat. De twee bestanddelen van de letter zijn de vorm en de klank. Met die twee aspecten afzonderlijk kun je oefenen. Dat is voor de kleuter zinvol, voorwaardescheppend onderwijs.”

Klank- en vormspel

Klank- en vormspel bereidt de niet-leesrijpe kleuter voor op leren lezen als het nog in de fase van ‘hakken’ en ‘hakken en gissen’ zit. Het doel is niet om een kleuter leesrijp te maken. Dit kan volgens Vervaet niet, omdat leesrijpheid zich bij een kind van binnenuit ontwikkelt. Het doel is om een kleuter optimaal te laten oefenen met klank en vorm, zodat het, als het eenmaal leesrijp is, goed voorbereid de fase van ‘hakken en plakken’ in kan gaan.

Thuis en op school oefenen

Er zijn veel vorm- en klankspellen die kleuters met hun ouders of met de leerkracht kunnen doen, zoals: ‘woorden klappen’, ‘het langste woord’ en ‘luisteren naar woorden met /u/-klank’.

Woorden ‘klappen’

Een bekend spel is het ‘klappen’ van woordjes in verschillende stukjes. Je doet dit eerst zelf voor. Je zegt bijvoorbeeld: ‘school – feest’ en klapt bij elk stukje in je handen. Vervolgens laat je het kind dit nadoen met hetzelfde woord. Als dit goed gaat, zeg je een nieuw woord in zijn geheel en laat je het kind dit nazeggen terwijl het erbij klapt.

Het langste woord

Een ander spel is ‘het langste woord’. Je noemt twee woorden, zoals: ‘paard’ en ‘veulentje’. Het kind moet luisteren naar de lengte van de woorden. Vervolgens zeg je de woorden opnieuw en klap je bij de verschillende woordstukjes: ‘paard’ (één klap) en ‘veulentje’ (drie klapjes). Daarna moet het kind antwoorden welk woord langer is. Hierbij is het korte woord in werkelijkheid visueel groter (paard) dan het lange woord (veulentje). Daarna klapt het kind zelf woorden en zegt daarbij welk woord het langst is, zoals: ‘leeuw’ of ‘lieveheersbeestje’ en ‘huis’ of ‘keukentafel’.

Luisteren naar woorden met /u/-klank

Je zegt een aantal woorden en telkens als er een /u/ te horen is, moet het kind dit aangeven. Als het kind dit aangeeft terwijl er geen /u/ te horen is, spreek je het woord nog eens duidelijk uit en vraag je het kind dit te herhalen en goed naar zichzelf te luisteren. De woorden die je in dit spel gebruikt zijn bijvoorbeeld: ‘kus’, ‘taal’, ‘bus’, ‘poort’, ‘meer’, ‘krul’ en ‘mus’. Wissel de woorden met en zonder /u/ af. Je kunt dit spel ook met andere letters spelen, zoals de /a/, /e/ of /s/.

Leesrijpheidstoets

Als een kind voldoende met klanken heeft gespeeld, begrijpt en beheerst het aan het einde van die fase (gemiddeld rond de zesenhalf jaar oud) dat gesproken taal opgedeeld kan worden in afzonderlijke klanken. Vanaf dat moment is het kind in staat om de volgende stap te zetten: ‘hakken en plakken’. Om als leerkracht zeker te weten dat een kind toe is aan deze fase, neemt het de leesrijpheidstoets uit de OLL methode af.

Door goed naar de ontwikkeling van het kind te kijken, kan de leerkracht op het juiste moment het juiste leesonderwijs aanbieden. Vervaet: “Voor het jonge schoolkind dat leesles krijgt, geldt: vandaag in staat, een leven lang paraat.”

2 Reacties

  • Gepost door Redactie OCO op 23 oktober 2020 om 13:54 | Permalink

    Meer lezen over verschillende visies op dit onderwerp? Zie aflevering (Letter)rijk kleuteronderwijs op het blog ‘Geletterdheid en schoolsucces’: http://geletterdheidenschoolsucces.blogspot.com/2017/03/

  • Gepost door Henk Blok (oud- medewerker Kohnstamm Instituut, Amsterdam) op 23 oktober 2020 om 12:24 | Permalink

    Een reactie in vier punten …

    1 Deze blog raakt aan een discussie die in het verleden uitvoerig is gevoerd, maar die al lang is afgesloten. Aan de ene zijde was het standpunt: eerst de ontwikkeling van het kind afwachten en pas als het rijp is het onderwijs aanbieden dat daarop aansluit. Aan de andere kant was – en is nog steeds – het uitgangspunt: ondersteun het kind in haar/zijn ontwikkeling door begeleiding en onderwijs te bieden die het kind vooruit helpen. Bijvoorbeeld, lees dagelijks voor, zodat het kind gestimuleerd wordt belangstelling voor boeken en zelf leren lezen te ontwikkelen. Ontwikkeling en onderwijs gaan hand in hand, niet eerst het ene, dan het andere. Wachten tot het kind ‘leesrijp’ is, komt neer op afremmen in plaats van doorrijden.

    2 ‘Van binnen uit’ of ‘van buiten uit’ … het is geen tegenstelling zoals Vervaet suggereert. De ontwikkeling vindt binnen in het kind plaats en wordt gestimuleerd door aanbod dat van buiten komt: voorlezen, hulp bij het letters stempelen, leren tellen (eerst als een telrij, later ook om een hoeveelheid te bepalen).

    3 Als Vervaet verwijst naar het programma ‘Bouw!’ als een programma dat een averechts effect heeft, dan heeft hij ongelijk. Het is een evidence-based programma voor kinderen die risico lopen op leesproblemen, bijvoorbeeld als gevolg van dyslexie in de familie of als gevolg van opgroeien in een ongeletterde omgeving.

    4 De vierslag ‘hakken – hakken en gissen – hakken en plakken – onmiddellijk lezen’ klopt niet. Kleuters beginnen namelijk veelal met klank-tekenkoppelingen (‘Welke letter is dat?’) Met die koppelingen doen ze allerlei ‘spelletjes’: klanksynthese (plakken), maar ook de omgekeerde weg, klankanalyse. Die laatste is nuttig voor het leren schrijven of spellen. Vaak worden leren lezen en spellen tegelijk aangeleerd als twee kanten van één medaille.

    Met vriendelijke groet,

    Henk Blok

Reageren?

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.