Tweede Kamer wil meer sturing op passend onderwijs

Passend onderwijs is 5 jaar geleden ingevoerd. Ook vóór passend onderwijs waren er klachten over de manier waarop we in Nederland ondersteuning in het onderwijs organiseren. Knelpunten waren bijvoorbeeld de bureaucratie van het rugzakje, het aantal thuiszitters en de toename van het aantal leerlingen in speciaal onderwijs. Nu na 5 jaar de balans wordt opgemaakt, lijken de klachten echter eerder toegenomen dan verminderd. Met name ouders en onderwijspersoneel lopen tegen grote knelpunten in de praktijk aan. Daar tegenover staat het Ministerie van OCW dat, ondanks de knelpunten, een positieve ontwikkeling ziet. Het Ministerie ziet geen reden tot direct ingrijpen in de systematiek. Deze tegenstelling zette de toon van het debat in de Tweede Kamer over passend onderwijs op 26 juni 2019. In verschillende aangenomen moties drong de Tweede Kamer vervolgens aan op meer sturing, met als meest opvallende wens een landelijke norm voor basisondersteuning.

AOb: Onvoldoende ondersteuning en expertise in de klas

Onderwijsvakbond AOb kwam, voorafgaand aan het debat in de Tweede Kamer met een onderzoek naar buiten. Het bevatte scherpe conclusies over de ervaringen van personeel met passend onderwijs. Zo geven veel leraren aan dat er kinderen in hun klas zitten die niet de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Ook geven ze aan dat er op school onvoldoende expertise is om alle leerlingen te helpen, en dat er in de opleiding nauwelijks aandacht voor passend onderwijs was.

Balans: Organiseer een vangnet

Balans, vereniging voor ouders van kinderen en jongeren met ontwikkelingsproblemen bij leren en/of gedrag, bood de Tweede Kamer een petitie aan. In deze petitie pleit Balans voor een vangnet. Het vangnet van onafhankelijke inhoudelijk deskundigen moet samen met ouders en kinderen kunnen kijken naar de beste ondersteuning. De behoeften van het kind moet bij deze beoordeling centraal staan, om zo escalatie van conflicten te voorkomen.

Brief ouder- en cliëntenorganisaties: Weinig vertrouwen in uitvoering passend onderwijs

Een aantal organisaties schreven de Tweede Kamer gezamenlijk een brief. Ze benoemen vanuit het perspectief van ouders en jongeren de knelpunten bij de uitvoering van passend onderwijs. De organisatie zijn: Ieder(in), MIND, Ouders & Onderwijs, Oudervereniging Balans en Per Saldo. Ze zien dat de beloftes van passend onderwijs niet worden waargemaakt, en pleiten o.a. voor meer grip op de samenwerkingsverbanden en een duidelijkere positie voor ouders.

Tweede Kamer debat en moties 26 juni 2019

In het debat op 26 juni 2019 in de Tweede Kamer toonden ook de kamerleden zich bezorgd over de voortgang van passend onderwijs. Dat er voor 2020 een evaluatie in zicht is, weerhield hen er niet van om ook op korte termijn verbeteringen te willen zien. Een aantal thema’s kwamen herhaaldelijk terug, zoals de positie van de samenwerkingsverbanden, thuiszitters en de grote verschillen tussen scholen en regio’s in de uitvoering.

In vergelijking met eerdere debatten over de voortgang van passend onderwijs, was de toon van de kamerleden scherper. De kamerleden worden, naast de brieven, de petitie en de onderzoeken, regelmatig benaderd door ouders zelf. Zij geven aan hoe ze vastlopen in het systeem en hoe hun kind zonder passend onderwijs komt te zitten. Er is te veel willekeur in het systeem. De beantwoording van minister Slob kon de Tweede Kamerleden dan ook niet makkelijk geruststellen. Kamerlid Peter Kwint vatte het als volgt samen:

“Ik heb toch het gevoel dat het huis in brand staat en de minister op zolder nog mensen spreekt die met emmertjes water de brand proberen te blussen.”

De verhalen uit de praktijk, matchen niet met de werkelijkheid van de minister. Een deel van de knelpunten en mogelijke maatregelen werd doorgeschoven tot 2020. Dan is ook de brede evaluatie van passend onderwijs beschikbaar. Een aantal van de knelpunten vroegen volgens de kamerleden echter nu al om actie.

De meest prangende zaken werden door de kamerleden in maar liefst 15 moties verwoord. De moties werden op de laatste dag voor het zomerreces in stemming gebracht. Bijna alle moties roepen op tot meer landelijke sturing, zowel op de inhoud van de ondersteuning als de verdeling van het geld en het toezicht op de samenwerkingsverbanden. Rond drie uur ’s nachts kwam er duidelijkheid, en werden 9 van de 15 moties aangenomen.

Motie voor landelijke norm voor basisondersteuning

De meest in het oog springende motie was die van SP-kamerlid Peter Kwint over de basisondersteuning. Een onderzoeksrapport dat in 2018 is aangeboden aan de Tweede Kamer toonde dat er weinig draagvlak in het onderwijs zou zijn voor een landelijke norm voor basisondersteuning. Toch nam de Tweede Kamer deze motie aan met een meerderheid van 90 van de 150 stemmen. De motie vraagt de minister om in 2020 te komen met een voorstel voor het vastleggen van een landelijke norm voor basisondersteuning. Dit geeft duidelijkheid aan ouders en leraren over wat er van iedere school tenminste aan ondersteuning verwacht kan worden.

Moties over reserves, lerarenopleiding, hoogbegaafden en inclusief onderwijs

Andere aangenomen moties richten zich op de rol van de samenwerkingsverbanden en de opgebouwde reserves. Uitgangspunt van de Tweede Kamer is dat het geld voor de ondersteuning in de klas terecht moet komen. Geld moet niet bij een samenwerkingsverband blijven liggen. Verder vragen de aangenomen moties om meer aandacht voor passend onderwijs in de lerarenopleiding, duidelijkheid over de kosten voor onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen en een aanpak richting inclusief onderwijs. De moties geven de minister opdracht om meer landelijke regie te voeren en duidelijkheid te geven over wat samenwerkingsverbanden en scholen moeten doen.

2020 en verder

In 2020 wordt een uitgebreide evaluatie afgerond naar de invoering en uitvoering van passend onderwijs. De vraag die hierbij centraal staat is: Behaalt passend onderwijs de doelen die vooraf gesteld waren? Meer ondersteuning op maat, meer mogelijkheden in regulier onderwijs, minder thuiszitters? En als dat niet zo is, moet er dan een nieuw stelsel komen, of kan het huidige stelsel nog worden aangepast? Vanuit de Tweede Kamer, ouderorganisaties en de vakbonden, heeft de minister met het debat en de moties in ieder geval al een duidelijke richting meegekregen. Meer landelijke sturing, minder willekeur en minder beleidsvrijheid.