Meer opstroom dan afstroom

Een belangrijk element van het onderwijskansenbeleid is de mogelijkheid tot opstromen, tussentijds overstappen naar een hoger opleidingsniveau. De mogelijkheid op te stromen is vooral van belang voor leerlingen die bij de start van het voortgezet onderwijs nog niet goed weten wat ze willen, of die hun potentie nog niet hebben getoond. Tussen Amsterdamse scholen zijn grote verschillen in de mate waarin leerlingen op- of afstromen. In de stad als geheel is de opstroom groter dan de afstroom.

Naast opstroom is er ook afstroom

Naast opstroom vindt er natuurlijk ook afstroom plaats. Vaak gaat het om leerlingen die op school tegen problemen aanlopen: ze zijn niet vreselijk gemotiveerd of hebben moeite met het tempo.

Het kan lijken of de oorzaken vooral bij de afstromende leerlingen zelf worden gelegd. Maar de aandacht en de zorg die de school aan zulke leerlingen besteedt heeft er natuurlijk ook mee te maken.

Onderwijspositie bij de start van leerjaar 3

Deze blog gaat in op de op- en afstroom bij de start van het derde leerjaar. Het grootste deel van de leerlingen zit dan naar verwachting op een passende plek. Deze keuze volgt de werkwijze van de Inspectie van het Onderwijs. Die bepaalt de hoeveelheid op- en afstroom door de onderwijspositie bij de start van leerjaar 3 te vergelijken met het basisschooladvies. Is de positie hoger dan het advies, dan is er sprake van opstroom. Is de positie lager, dan is het afstroom.

Inspectiecijfers

OCO heeft gegevens van de Inspectie over de onderwijspositie gebruikt om Amsterdamse scholen te vergelijken wat betreft op- en afstroom (zie Onderzoeksgegevens over opstroom en afstroom). De vergelijking heeft enkele bruikbare inzichten opgeleverd. Bijvoorbeeld, van de 51 scholen zijn er acht die niet voldoen aan de normen die de Inspectie hanteert.

Scholen die onder de norm zitten, zijn onder andere College De Meer en de mavo-afdeling van het Montessori Lyceum Amsterdam (MLA). Deze scholen realiseren meer afstroom dan opstroom.

Een gunstige uitkomst is dat 42 scholen een positieve balans laten zien: ze realiseren meer opstroom dan afstroom.

Lumion is de school die met een score van ‘32 procent meer op- dan afstroom’ de lijst aanvoert. De beide Hervormde Lycea West en Zuid (HLW en HLZ) doen het ook heel goed.

Lastige duiding van op- en afstroom

De duiding van op- en afstroom is lastig. Veel opstroom wil niet zo maar zeggen dat veel leerlingen extra kansen krijgen. Op- en afstroom zijn namelijk ook afhankelijk van de adviezen die basisscholen aan hun leerlingen verstrekken.

Als een basisschool terughoudend adviseert en de potentie van leerlingen onvoldoende tot uitdrukking brengt, vergroot dat de kans op opstroom. En omgekeerd, als een basisschool leerlingen het voordeel van de twijfel gunt, dan kan dat leiden tot meer afstroom. De passendheid van het advies is dus een factor die meespeelt.

En die passendheid van schooladviezen laat te wensen over. Uit landelijke cijfers van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen blijkt dat ongeveer één op de drie leerlingen een hoger advies heeft gekregen dan volgens de eindtoets passend zou zijn. Deze leerlingen lopen een risico op afstroom, tenzij vo-scholen met een extra inspanning erin slagen om ze binnenboord te houden. Bij ruwweg een op de drie leerlingen komt het schooladvies overeen met de score op de eindtoets. Bij nog eens een op de drie leerlingen blijkt de score op de eindtoets hoger uit te komen dan het schooladvies. Het advies kan dan na een heroverwegingsgesprek worden opgehoogd.

Ouders kunnen navraag doen

Een beperking van de cijfers van de Inspectie is dat de percentages op- en afstroom niet afzonderlijk gegeven worden, maar alleen als saldo: positief als er meer leerlingen opstromen dan afstromen, negatief als het andersom is.

De website scholenopdekaart maakt het onderscheid tussen op- en afstroom wèl, maar doet dat alleen voor het laatste schooljaar, momenteel schooljaar 2017/18.

Ouders die de op- en afstroomcijfers belangrijk vinden, doen er goed aan bij scholen navraag te doen over de cijfers uit eerdere jaren.

En scholen die ongunstige op- en afstroomcijfers realiseren, doen er goed aan uit te zoeken wat de achtergrond hiervan is: tekortkomingen in de advisering door de basisschool of tekortkomingen in de effectiviteit van het eigen onderwijs.

Onderzoeksnota

Zie voor uitgebreidere gegevens en de cijfers per school Onderzoeksgegevens over opstroom en afstroom.