Wat ouders zouden moeten weten

Volgens een inventarisatie van OCO, de Onderwijs Consumenten Organisatie van Amsterdam, op basis van gegevens van de onderwijsinspectie zijn er op dit moment 25 ‘risicovolle’ basisscholen in Amsterdam. Dat zijn scholen waarvan de onderwijsinspectie meent dat ze zonder waarschuwing en ingrijpen het risico lopen af te glijden tot het niveau van een ‘zeer zwakke’ school, de zwaarste categorie waarvan er op dit moment vijf (basisscholen) zijn in Amsterdam.

Het College van B&W heeft 1,5 miljoen euro gereserveerd voor 2008 voor verbetering van het basisonderwijs. Wethouder Buyne nam begin oktober het initiatief met een ambtswoninggesprek waarin ze de schoolbesturen in besloten kring om actie vroeg. Kort tevoren had zij in haar weblog aangegeven het moeilijk te verteren te vinden dat in Amsterdam een kwart van de leerlingen niet meetelt bij de CITO-eindtoets. Terwijl langzamerhand iedereen de CITO-toets beschouwt als – al is die oorspronkelijk niet zo bedoeld – het ‘eindexamen’ van de basisschool. De scholen hebben toegezegd om binnen zes weken met een kwaliteitsplan te komen. OCO wil dat bij het maken van die plannen, en niet pas achteraf, ook naar de positie van ouders en leerlingen gekeken wordt. Wat is de informatiebehoefte van ouders en wat kunnen ouders zelf bijdragen aan kwaliteitsverbetering?

Intussen heeft de onderwijsinspectie aangekondigd het toezicht te vernieuwen. De onderwijsinspectie stelt dat ondermaatse kwaliteit iets is wat geen enkele ‘zeer zwakke’ school zomaar overkomt, maar dat er altijd aanwijzingen aan vooraf gaan. Die aanwijzingen wil de inspectie in het nieuwe toezicht tijdig als ‘risico’s’ signaleren. OCO vindt dat als de inspectie zich serieus zorgen maakt, ouders daarover geïnformeerd moeten worden. In veel gevallen weten ouders niet dat hun school door de onderwijsinspectie wordt aangemerkt als een ‘risicovolle’ school. Laat staan dat ze geïnformeerd worden over problemen of betrokken worden bij verbeterplannen.

In het OCO-debat Bijspijkeren of dichtspijkeren in mei in De Balie over ‘zeer zwakke’ scholen bleek dat het heilzaam werkt wanneer de inspectie de vinger op de zwakke plek legt, het personeel de ernst van de situatie inziet, en het schoolbestuur investeert in verbeteringen. Het ministerie hoopt ‘zeer zwakke’ scholen in de toekomst volledig te kunnen voorkomen. Maar van de benodigde ingrepen bij ‘zeer zwakke’ scholen moet gezegd worden dat die soms zo stevig zijn, dat de vraag is of daar voldoende bestuurlijke moed en bereidheid voor te vinden is, als het water nog niet tot aan de lippen gestegen is.

Aanpakken van de schoolorganisatie alleen vond en vindt OCO niet genoeg. Het is nog onvoldoende duidelijk of schoolbesturen zich inzetten om opgelopen leerachterstanden weg te werken. OCO pleit voor een strippenkaart voor (zonodig externe) huiswerkbegeleiding of bijles.

OCO heeft gekeken in welke stadsdelen de minder presterende scholen liggen. In de stadsdelen Geuzenveld-Slotermeer, Noord, Zeeburg en Zuidoost zijn er relatief meer dan in andere stadsdelen, in stadsdeel Oud-Zuid niet één. Qua besturen springt het openbaar onderwijs er negatief uit in Zeeburg (43 procent), in Noord (38 procent) en in Zuidoost (29 procent).

Ook blijkt er een samenhang te zijn tussen inspectieoordeel en deelname aan de CITO-eindtoets. In Bos en Lommer, Geuzenveld-Slotermeer, Noord, Zeeburg en Zuidoost schommelen de percentages van zowel de risicovolle/zeer zwakke scholen als de percentages van bij de CITO-eindtoets uitgesloten leerlingen tussen de twintig en dertig procent; in Oud-Zuid ligt dat op respectievelijk nul en elf procent. De gemeente en de schoolbesturen laten op dit moment onderzoek doen naar de factoren die er toe leiden dat leerlingen een zodanige leerachterstand oplopen (van anderhalf jaar of meer) dat ze worden uitgesloten van de CITO-eindtoets. OCO pleit ervoor dat de onderzoeksgegevens per school beschikbaar komen, opdat ouders weten waar ze aan toe zijn.

Waarschijnlijk zijn er nog meer verbanden te leggen met onderwijskwaliteit als er meer gegevens per school beschikbaar zouden zijn. Denk aan spijbelen, veiligheidsincidenten, de vraag of de school een afspiegeling is van de buurt, of specifieke wijkproblematiek. Veel van die gegevens worden verzameld door de gemeente en de schoolbesturen samen en zijn vooralsnog niet toegankelijk voor anderen. Schoolbesturen zijn begrijpelijk huiverig voor een stempel. Toch is meer openheid de enige duurzame weg die tot vertrouwen en kwaliteit leidt.

De conclusie is in elk geval dat er in Amsterdam scholen zijn waar het beter moet kunnen gaan. En dat in sommige delen van de stad hard gewerkt moet worden om leerachterstanden aan te pakken. Dat moet veel gerichter dan tot nog toe. Niet met meer van hetzelfde maar met goede probleemanalyses, met extra aandacht en onderwijstijd, met kopklassen en met bijles. En met informatie over de school en over de leerling voor ouders en overleg over de bijdrage die zij kunnen leveren.