Wat is een basisschool?

Geplaatst door Rosalie Anstadt op 4 september 2020
Op een basisschool krijgen kinderen tussen de vier en twaalf jaar oud basisonderwijs. De basisschool bestaat sinds de Wet op het Basisonderwijs uit 1985. Daarvoor waren kleuterscholen (huidige groepen 1 en 2) en lagere scholen (huidige groepen 3 tot en met 8) gescheiden. De directeur van een basisschool heeft onderwijskundig, organisatorisch en huishoudelijk de leiding. Het schoolbestuur is eindverantwoordelijk. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs op de basisschool. Op de basisschool zitten kinderen bij elkaar in de klas en geeft een bevoegde leerkracht onderwijs in onder andere taal, rekenen en wereldoriëntatie. Daarnaast stellen sommige basisscholen vakleerkrachten aan voor beeldende vorming (bevo) en bewegingsonderwijs. Een intern begeleider (IB-er) is verantwoordelijk voor de leerlingenzorg. Een remedial teacher (RT-er) biedt extra ondersteuning aan leerlingen met leer- en/of gedragsproblemen. Naast de directie en het onderwijzend personeel hebben sommige scholen onderwijsondersteunend personeel, zoals onderwijsassistenten en een conciërge. Tot slot kan een school ook de hulp van ouders of andere vrijwilligers inroepen voor extra taken, zoals feestelijke bijeenkomsten en schoolreisjes.

Leerling

Als een kind vier jaar is mag het naar de basisschool. Het komt dan in groep 1 in de kleuterklas. Vanaf vijf jaar is een kind volgens de wet leerplichtig. De meeste kinderen doorlopen de basisschool in acht jaar tijd. Na groep 8 stromen zijn door naar het voortgezet onderwijs. Gemiddeld is een kind dan twaalf jaar oud. Soms slaat een kind een klas over of blijft het een jaar zitten. In elk geval verlaat het kind de basisschool aan het einde van het schooljaar waarin het de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt (art. 39 lid 4 WPO).

Wet op het Basisonderwijs

De basisschool bestaat sinds de Wet op het Basisonderwijs uit 1985. Daarvoor waren kleuterscholen (groepen 1 en 2) en lagere scholen (groepen 3 tot en met 8) gescheiden. De acht leerjaren kunnen worden onderverdeeld in drie bouwen:

  • Onderbouw: groep 1 en 2;
  • Middenbouw: groep 3, 4 en 5;
  • Bovenbouw: groep 6, 7 en 8.

Op de meeste basisscholen bestaat een klas uit één jaargroep. Op sommige basisscholen – zoals basisscholen met het onderwijsconcept montessori –  zijn twee of meerdere jaargroepen samengevoegd.

Kinderen die uitvallen in het reguliere basisonderwijs kunnen een overstap maken naar het speciaal basisonderwijs of het speciaal onderwijs. Het basisonderwijs en speciaal basisonderwijs vallen onder de Wet op Primair Onderwijs (WPO). Het speciaal onderwijs valt onder de Wet op Expertisecentra (WEC).

Directeur en schoolbestuur

Iedere basisschool heeft een of twee directeuren. Een directeur heeft onderwijskundig, organisatorisch en huishoudelijk de leiding. Maar het schoolbestuur is eindverantwoordelijk voor wat er gebeurt op een school (art. 29 lid 1 WPO). Daarom stuurt het schoolbestuur de directeur van een basisschool aan en draagt het meestal managementtaken aan hem over (art. 30a WPO). Deze taken worden vastgelegd in een managementstatuut (art. 31 lid 1 WPO). De directeur heeft binnen het schoolbestuur verschillende taken, zoals:

  • aanspreekpunt voor ouders;
  • personeelsbeleid;
  • vertegenwoordiger van de school in overleg met andere schooldirecteuren.

In het OCO-artikel: ‘wat doet een schooldirecteur op de basisschool?’ staat meer informatie over deze functie.

De Inspectie van het Onderwijs

De Inspectie van het Onderwijs controleert of de kwaliteit van het onderwijs goed is en of scholen de regels naleven. De schoolinspectie:

  • bezoekt scholen;
  • voert hier een kwaliteitsonderzoek uit;
  • evalueert de uitkomst met directeur.

De inspecteur bepaalt na het schoolbezoek en rapport of een school onder basistoezicht blijft of dat de school wordt aangemerkt als (zeer) zwak. (Zeer) zwakke scholen krijgen vaker inspectiebezoek om te voorkomen dat de onderwijskwaliteit nog verder achteruit gaat.

In dit overzicht toont OCO de inspectieoordelen van Amsterdamse basisscholen: onvoldoende, voldoende of goed.

Leerkracht

Een leerkracht basisonderwijs heeft een pabo-diploma (hbo of universitair). Daarnaast heeft hij een verklaring omtrent gedrag (VOG). Wettelijk gezien mag een leerkracht zonder bevoegdheid niet voor de klas staan. Door het huidige lerarentekort wordt het soms toegestaan dat een on(der)bevoegde voor een klas staat. In het artikel ‘Bevoegd lesgeven in het primair onderwijs’ van de Inspectie van het Onderwijs staat wanneer de inzet van on(der)bevoegden voor de klas mogelijk is.

Een leerkracht basisonderwijs is verantwoordelijk voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in school (art. 31a lid 1 WPO). Hij is bevoegd om besluiten te nemen (zeggenschap) over:

  • de inhoud van de lesstof (lees ook: ‘Wat leert mijn kind op de basisschool?‘) ;
  • de wijze waarop lesstof wordt aangeboden en de middelen die daarbij worden gebruikt;
  • de pedagogisch-didactische aanpak op de school en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven, waaronder de begeleiding van de leerlingen en de contacten met de ouders ( art. 31a lid 3 WPO).

Het schoolbestuur stelt in overleg met de leerkrachten een professioneel statuut op. Hierin staan afspraken over de manier waarop de zeggenschap van leerkrachten op de basisschool wordt georganiseerd.

Vakleerkrachten beeldende vorming en bewegingsonderwijs

Sommige scholen hebben in de formatie ruimte om een vakleerkracht beeldende vorming (bevo) en/of een vakleerkracht bewegingsonderwijs (gymnastiek) aan te stellen. Een vakleerkracht bevo heeft een hbo-opleiding Docent Beeldende Kunst en Vormgeving afgerond. Een vakleerkracht bewegingsonderwijs heeft de Academie voor Lichamelijk Opvoeding (ALO) afgerond.

Indien een basisschool geen vakleerkracht bevo heeft moeten de groepsleerkrachten les in beeldende vorming geven. Daarvoor zijn zij op de pabo opgeleid. In de praktijk zie je echter dat het vaak per groepsleerkracht verschilt hoeveel tijd en aandacht aan beeldende vorming wordt besteed.

Indien een basisschool geen vakleerkracht bewegingsonderwijs heeft aangesteld moet de groepsleerkracht dit verzorgen. Hieraan worden wel wettelijke eisen gesteld. Alleen groepsleerkrachten met een zogeheten ‘brede bevoegdheid’ (aanvullende opleiding of Pabo oude stijl) mogen bewegingsonderwijs geven aan de groepen 3 tot en met 8. Voor de groepen 1 en 2 gelden geen extra wettelijke eisen.

In dit artikel van de PO-Raad (de sectororganisatie voor het primair onderwijs) staat meer informatie over bevoegdheid binnen het bewegingsonderwijs.

Intern begeleider

Een intern begeleider (IB-er) is verantwoordelijk voor de leerlingenzorg. Hij ondersteunt leerkrachten en ouders in de begeleiding van leerlingen die extra zorg nodig hebben. Voorbeelden van taken die een IB-er uitvoert zijn:

  • coördinatie van het leerlingvolgsysteem (LVS);
  • invullen groeidocument;
  • leerkrachten coachen en begeleiden in pedagogisch handelen;
  • leerkrachten coachen en begeleiden in klassenmanagement;
  • leerkrachten begeleiden bij het opstellen van handelingsplannen.

Veel IB-ers hebben een functie als leerkracht met de interne begeleiding als taak. Zij zijn in het bezit van een pabo-diploma en hebben daarnaast vaak een relevante master gevolgd, zoals de master SEN (Special Educational Needs). Omdat de rol van een IB-er (nog) niet is vastgelegd in een formeel functieprofiel, cao of wet verschilt het takenpakket per school. In veel gevallen is het takenpakket van een IB-er zo groot dat hij niet (meer) voor de klas staat.

Onderwijsassistent

Een onderwijsassistent in het basisonderwijs heeft een van de onderstaande mbo-opleidingen afgerond:

  • Sociaal Pedagogisch Werk (niveau 3) met als onderdeel onderwijsassistent;
  • Onderwijsassistent (niveau 4).

Er zijn geen wettelijke bekwaamheidseisen voor dit beroep. Het takenpakket van een onderwijsassistent verschilt per school. Meestal heeft een onderwijsassistent niveau 3 organisatorische taken, zoals het organiseren van excursies. Een onderwijsassistent niveau 4 heeft soms ook onderwijsinhoudelijke taken, zoals het begeleiden van individuele leerlingen of kleine groepjes leerlingen met taal en rekenen.

Conciërge

Een conciërge op een basisschool behoort net als een onderwijsassistent tot het onderwijsondersteunend personeel. Een conciërge heeft een mbo-opleiding afgerond, zoals de opleiding Medewerker facilitaire dienstverlening. Hij houdt toezicht op gebouwen en verricht ondersteunde- en onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, zoals:

  • het aansluiten van ICT-apparatuur;
  • het doorgeven van verzuimmeldingen van leerlingen en medewerkers;
  • magzijnbeheer en bestelling goederen;
  • overtredingen van huis- en gedragsregels signaleren en leerlingen hierop aanspreken
  • toezien op een schoon en veilig schoolgebouw.

Remedial teacher

Een remedial teacher (RT-er) biedt extra ondersteuning aan leerlingen met leer- en/of gedragsproblemen. De ondersteuning is afgestemd op een specifieke hulpvraag van leerlingen en richt zich in hoofdzaak op het leerproces. Zo kan een RT-er een basisschoolleerling met dyslexie (moeite met lezen of schrijven) of dyscalculie (moeite met rekenen) extra begeleiden. Meestal neemt de RT-er na afloop van de begeleidingsperiode een toets bij de leerling af om te bekijken of de aanpak succesvol is.

De RT-er is een bevoegde leerkracht. Daarnaast heeft hij een extra certificaat of post-hbo diploma, zoals de master SEN (Special Educational Needs).

Ouders en vrijwilligers

Naast de directeur, onderwijs- en onderwijsondersteunend personeel vervullen ouders en vrijwilligers een rol binnen de basisschool. Er zijn veel vormen van ouderbetrokkenheid: meepraten over schoolbeleid in de medezeggenschapsraad (MR), meehelpen bij schoolactiviteiten in de ondernemingsraad (OR), thuis belangstelling tonen voor school en helpen met huiswerk. Ouderbetrokkenheid is een samenwerking tussen ouders en school met betere prestaties van het kind en hogere kwaliteit van de school als gemeenschappelijk doel.

Naast ouders kunnen ook andere vrijwilligers een rol spelen op school. Denk bijvoorbeeld aan oma’s en oma’s die wekelijks met kleine groepjes kinderen op school lezen of kunstenaars en musici die gratis een workshop op school verzorgen.