Wat leert mijn kind in groep 8?

Geplaatst door Rosalie Anstadt op 14 juli 2021
In groep 8 krijgt een kind Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde. Daarnaast krijgt het vakken gericht op de brede ontwikkeling: oriëntatie op jezelf en de wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs. Vaak maken leerlingen ook een verkeersexamen. In groep 8 herhalen leerlingen veel kennis en vaardigheden uit voorgaande leerjaren. Daarbij besteedt de leerkracht aandacht aan ‘leren leren’, zoals planning, taakaanpak en reflectie op werk. De lesstof in groep 8 bouwt voort op de lesstof uit groep 7 en bereidt kinderen voor op de brugklas in het voortgezet onderwijs. Zo ontstaat er een doorgaande leerlijn. Halverwege groep 8 krijgen leerlingen een schooladvies voor het voortgezet onderwijs en maken zij de wettelijk verplichte eindtoets.

Kerndoelen en leerlijnen

De overheid heeft voor ieder verplicht vak op de basisschool – Nederlands, Engels, rekenen/wiskunde, oriëntatie op jezelf en de wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs – kerndoelen vastgesteld. De kerndoelen beschrijven globaal wat een school tot en met groep 8 in elk geval moet aanbieden aan de leerling. Dit is vastgelegd in het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO.

SLO (Stichting Leerplanontwikkeling) heeft de kerndoelen voor de groepen 1 tot en met 8 van de basisschool uitgewerkt in leerlijnen. Een leerlijn geeft aan wat een kind per leerjaar leert. Ook geeft het aan wat een kind moet kennen en kunnen voordat een volgende stap kan worden gezet.

Een kind kan bijvoorbeeld pas breuken leren als het de tafels (vermenigvuldigen) geautomatiseerd heeft. En een kind kan pas een correcte werkwoordspelling toepassen als het de basisprincipes van redekundig ontleden beheerst.

Kerndoelen en leerlijnen helpen een school een doorgaande lijn te bieden voor de ontwikkeling van kinderen. Een school mag zelf bepalen hoe ze de vakken aanbiedt (didactiek) en welk lesmateriaal (methode) ze hiervoor gebruikt. Daardoor verschilt de invulling per school.

Referentieniveaus taal en rekenen/wiskunde

Naast de kerndoelen is in de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen vastgelegd welke kennis en vaardigheden leerlingen moeten beheersen op het gebied van taal en rekenen op de basisschool, het voortgezet onderwijs en het mbo. In tegenstelling tot de kerndoelen gaat het bij referentieniveaus niet om een ‘aanbodsverplichting’ voor de leraar, maar om een opbrengstverplichting voor de leerling.

Volgens de wet moeten leerlingen aan het einde van groep 8 niveau 1S (streefniveau) of 1F (fundamenteel niveau) beheersen. SLO benadrukt daarbij dat het onderwijs hoge, maar realistische doelen moet stellen. Bovendien moeten kinderen voldoende mogelijkheden krijgen om zich optimaal te ontwikkelen. Scholen moeten hierbij uitgaan van wat maximaal haalbaar is en niet van wat minimaal moet.

Nederlands

In groep 8 bestaat het vak Nederlands uit lezen (technisch en begrijpend) en teksten schrijven. Daarnaast leren kinderen (werkwoord)spelling en taal- en redekundig ontleden. Ook besteedt de leerkracht aandacht aan woordenschat en mondeling onderwijs, waarbij leerlingen leren presenteren en discussiëren.

Technisch lezen

Leerlingen verbeteren hun technische leesvaardigheid door veel leeskilometers te maken. Hoe meer woorden en teksten zij lezen, hoe hoger de leesprestaties. Maar leerlingen kunnen alleen voldoende leeskilometers maken als hiervoor voldoende tijd wordt vrijgemaakt op school en thuis. Daarom heeft het programma School Aan Zet een kwaliteitskaart ontwikkeld voor scholen. Hierop staat onder andere een wekelijkse leestijdrichtlijn voor technisch lezen in groep 8:

  • 60 minuten technische leesvaardigheid, zoals: onderhouden, tempo verhogen, vloeiend lezen;
  • 60 minuten extra instructie en begeleide oefening voor de risicolezers (leerlingen bij wie het niveau achterblijft op het gemiddelde);
  • 45-60 minuten stillezen van verschillende tekstsoorten en gevarieerde activiteiten rond boeken.

In groep 8 neemt de leerkracht rond januari voor het laatst een DMT-toets en een AVI-toets af bij leerlingen. Deze methode-onafhankelijke toetsen brengen de technische leesvaardigheid van een kind in kaart. Halverwege groep 8 beheerst een kind gemiddeld het laatste AVI-niveau: Avi plus.

In dit overzicht van SLO is de leerlijn technisch lezen voor de groepen 1 tot en met 8 uitgewerkt.

Begrijpend lezen

Op de meeste basisscholen besteedt de leerkracht in groep 8 een paar uur per week tijd aan begrijpend lezen omdat een goed tekstbegrip nodig is voor de zaakvakken aardrijkskunde, geschiedenis en natuur en techniek. Maar ook bij het vak rekenen moet een kind teksten kunnen lezen en begrijpen.

De teksten die leerlingen in groep 8 lezen zijn niet complexer of abstracter dan de teksten uit groep 7. Maar in groep 8 gaan leerlingen dieper in op de structuur en inhoud van de tekst. Daarvoor leren leerlingen in groep 8 teksten te analyseren door verschillende leesstrategieën toe te passen. Ook leren zij te reflecteren op hun strategiegebruik en hun eigen leesproces.

Tekstanalyse en strategieën:

  • Relaties leggen tussen tekst en algemene kennis;
  • Relaties leggen tussen tekstdelen, waaronder inleiding, kern en slot;
  • De relatie tussen zinnen en alinea’s afleiden, met behulp van signaalwoorden;
  • De hoofdgedachte van een tekst bepalen;
  • De structuur van verschillende soorten teksten herkennen;
  • Samenvatten.

Reflectie op eigen leesproces:

  • Representeren: wat is de leestaak?
  • Plannen: Wat is mijn leesdoel? Hoe ga ik lezen?
  • Oriënteren: Wat weet ik al? Wat voor een soort tekst is het?
  • Monitoren: Waar gaat de alinea over die ik nu heb gelezen? Ik begrijp het niet, dus ik lees deze alinea opnieuw. Of: dit woord ken ik niet en deze kennis is wel nodig om mijn leesdoel te bereiken. Daarom ga ik nu de betekenis achterhalen.
  • Evalueren en reflecteren: Is de manier waarop ik nu lees handig? Bereik ik zo mijn leesdoel? Wat vind ik van deze tekst?

Meer informatie over begrijpend lezen in groep 8 staat in de uitgewerkte leerlijnen ‘schriftelijk onderwijs’ van SLO, kerndoelen vier, zes, zeven en negen.

In de publicatie ‘Leerstoflijnen lezen beschreven’ van SLO staat een uitwerking van het referentiekader Nederlandse taal voor het leesonderwijs op de basisschool.

Schrijven

Voor schrijfvaardigheid zijn drie kerndoelen vastgesteld: vijf, acht en negen. Daarnaast komt schrijfvaardigheid terug in kerndoelen één, tien en twaalf. Leerkrachten leren leerlingen in groep 8:

  • Teksten schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen en plezier verschaffen;
  • Informatie en meningen ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Hierbij besteden zij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel en eventueel beeldende elementen en kleur;
  • Plezier beleven in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten;
  • Informatie verwerven uit gesproken taal en die vervolgens mondeling of schriftelijk gestructureerd weergeven;
  • Taalstrategieën herkennen, verwoorden en gebruiken;
  • Een uitgebreide woordenschat inzetten bij schrijftaken.

(Werkwoord)spelling

In groep 8 herhalen de leerlingen de spellingregels uit voorgaande jaren en krijgen zij nieuwe regels aangeboden, zoals:

  • Samenstellingen met ‘en’ en ‘e’: pannenkoek, spinnenweb, apetrots, zonnebril;
  • Samenstellingen met ‘s’: meisjesstem, dorpsstraat.

Ook oefenen leerlingen met het vervoegen van werkwoorden. In groep 6 en 7 zijn zij hier al mee gestart. Regels voor werkwoordspelling die in groep 8 aan bod komen zijn:

  • Tegenwoordige tijd: stam + t. Bijvoorbeeld: ‘hij wordt boos’. Het hele werkwoord is ‘worden’. De stam is ‘word’. En bij de derde persoon enkelvoud (hij) komt er nog een ‘t’ achter;
  • Verleden tijd zwakke werkwoorden: stam + -de- of -te- (ezelsbrug ’t ex-kofschip). Bijvoorbeeld: ‘hij zaagde hout’. Het hele werkwoord is ‘zagen’. De laatste letter voor ‘en’ is de ‘g’. De ‘g’ komt niet voor in ’t ex-kofschip. Daarom schrijf je ‘zaagde’ en niet ‘zaagte’;
  • Voltooide tijd: eindigend op ‘t’ of ‘d’ (ezelsbrug ’t ex-kofschip). Bijvoorbeeld: ‘het is gister gebeurd’. Het hele werkwoord is ‘gebeuren’. De laatste letter voor ‘en’ is de ‘r’. De ‘r’ zit niet in ’t ex-kofschip. Daarom schrijf je in dit geval ‘gebeurd’ met een ‘d’.

Taal- en redekundig ontleden

In groep 8 herhalen kinderen de regels voor taal- en redekundig ontleden. Taalkundig ontleden gaat om het benoemen van woordsoorten in een zin. Redekundig ontleden gaat om het benoemen van zinsdelen in een zin. Door inzicht te krijgen in de structuur van zinnen is het eenvoudiger om de betekenis te achterhalen. Daarnaast helpt dit inzicht bij (werkwoord)spelling en het aanleren van een vreemde taal. Leerlingen oefenen met de volgende woordsoorten en begrippen:

Taalkundige woordsoorten:

  • Lidwoorden: ‘de’, ‘het’ en ‘een’;
  • Zelfstandig naamwoord, zoals: ‘huis’, ‘oog’, ‘kat’;
  • Bijvoeglijk naamwoord, zoals het ‘gele’ huis, de ‘zwarte’ kat;
  • Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord: de ‘fluwelen’ stoel, het ‘houten’ bankje;
  • Voorzetsels: ‘aan’, ‘achter’, ‘bij’, ‘op’ etcetera;
  • Telwoorden: ‘zeven’, ‘drie’, ‘één’ etcetera;
  • Voegwoorden: woorden die zinnen aan elkaar voegen. Bijvoorbeeld: het is koud ‘en’ het regent’;
  • Voornaamwoorden, waaronder het aanwijzend voornaamwoord: een woord dat naar iets of iemand verwijst. Bijvoorbeeld: het boek ‘dat’ daar ligt is stuk;
  • Werkwoorden: ‘fietsen’, ‘lopen’, ‘hebben’.

Redekundige begrippen:

  • Onderwerp: wie of wat + persoonsvorm;
  • Persoonsvorm: één werkwoord dat voor of achter het onderwerp staat;
  • Werkwoordelijk gezegde: alle werkwoorden in een zin;
  • Naamwoordelijk gezegde: koppelwerkwoord en naamwoordelijk deel;
  • Lijdend voorwerp: wie of wat + onderwerp + gezegde?;
  • Meewerkend voorwerp: aan/voor wie + persoonsvorm + onderwerp (+ eventuele andere werkwoorden).

Woordenschat

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat leerlingen met een grote woordenschat en veel kennis over deze woorden beter in staat zijn om een geschreven tekst te begrijpen dan leerlingen met een kleinere woordenschat en minder woordkennis. Daarom is in de Bijlage vernieuwde kerndoelen WPO, kerndoel twaalf geformuleerd:

‘De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.’

Leerkrachten besteden in groepen 1 tot en met 8 aandacht aan woordenschatonderwijs. Zo leren kinderen in groep 8 nieuwe woorden bij de vakken aardrijkskunde, geschiedenis natuur en techniek, door het lezen van en praten over teksten. Ook leren zij zelfstandig strategieën toepassen waarmee zij de betekenis van nieuwe woorden tijdens het lezen en luisteren leren afleiden en onthouden.

Lees de uitgewerkte leerlijnen van kerndoel twaalf in dit overzicht van SLO.

Mondeling onderwijs

Mondeling onderwijs bestaat uit kerndoelen één tot en met drie:

  • Eén: leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal: wat zegt iemand? En wat bedoelt hij daarmee? Daarnaast leren zij die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven;
  • Twee: leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en het discussiëren;
  • Drie: leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter. Daarnaast leren zij hierop met argumenten te reageren.

De school moet deze kerndoelen aan alle leerlingen hebben aangeboden voordat zij groep 8 verlaten. Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling heeft deze kerndoelen uitgewerkt in leerlijnen per groep. In groepen 7-8 leren kinderen onder andere:

  • Luisteren naar meningen van anderen, zelf meningen vormen en anderen overtuigen of zelf overtuigd worden;
  • Een groepsgesprek en discussie leiden;
  • Andermans standpunt in eigen woorden samenvatten;
  • Veel voorkomende trucs in reclame herkennen.

Lees de uitgewerkte leerlijnen van kerndoelen ééntwee en drie van SLO voor een compleet overzicht.

Rekenen/wiskunde

In groep 8 herhalen leerlingen de rekenleerstof uit voorgaande jaren. Er worden nauwelijks nieuwe rekenonderdelen aangeboden. Hieronder staat een globaal overzicht van de rekenleerstof in groep 8.

Optellen en aftrekken

Kinderen leren optellen en aftrekken met getallen tot en met 1.000.000. Zij leren de sommen kolomsgewijs en cijferend uitrekenen. Daarnaast leren kinderen een rekenmachine gebruiken.

Verhoudingen

In groep 8 leren kinderen werken met verhoudingstabellen. Zij krijgen inzicht in het verband tussen breuken en verhoudingen. Bovendien leren zij verhoudingen om te zetten in breuken en percentages en omgekeerd.

Breuken en kommagetallen

In groep 8 leren leerlingen breuken optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen. Een vermenigvuldigsom van breuken is bijvoorbeeld 3/4 X 20 of 10 X 1/3. Daarnaast maken zij deelsommen met behulp van een verhoudingstabel: hoeveel glazen van 1/6 liter gaan er uit een fles van 1 liter? Tot slot leren zij breuken omzetten in kommagetallen en andersom.

Procenten

Leerlingen krijgen inzicht in de relatie tussen procenten, breuken en kommagetallen. Bijvoorbeeld: ¼ = 25% = 0,25. De leerkracht biedt verschillende rekenstrategieën aan, waaronder in ieder geval de 1% regel: 1% = 1/100. Hiermee leren leerlingen sommen uitrekenen in een specifieke context, zoals: winst, korting, rente of helling.

Meetkunde

Leerlingen leren het complete metrieke stelsel van lengte (millimeter, centimeter, decimeter, meter, kilometer), inhoud (milliliter, centiliter, deciliter, liter) en gewicht (milligram, gram, kilogram) kennen. Hiermee kunnen zij maten omrekenen: 20 decimeter = 2 meter en 10 kilo = 10.000 gram. Daarnaast leren zij oppervlakte (cm2 en m2) en omtrek uitrekenen. Ook het lezen van een plattegrond is een vaardigheid die leerlingen leren.

Referentiekader rekenen/wiskunde

Net als bij het vak Nederlands zijn de kerndoelen voor rekenen/wiskunde uitgewerkt in een referentiekader met referentieniveaus. In de wet staat dat leerlingen aan het einde van de basisschool niveau 1S of 1F moeten beheersen. Hierin staat niet welk niveau voor welke leerling maximaal haalbaar is (Art. 2 Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen).

Meer informatie over de streefniveaus rekenen 1S/1F staat op deze webpagina van SLO.

Thuis oefenen met taal en rekenen voor groep 8

Ieder kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. Bovendien kan een kind zich per vakgebied verschillend ontwikkelen. Het ene kind is heel goed in werkwoordspelling en kan vrijwel foutloos teksten schrijven, maar heeft wat meer moeite met rekenen. Of andersom. De leerkracht volgt deze ontwikkelingen en past het onderwijs daarop aan.

Soms adviseert de leerkracht ouders om ook thuis met hun kind te oefenen met taal en/of rekenen. Bijvoorbeeld wanneer het leestempo van een kind omhoog moet, dan kan de leerkracht ouders aanraden om dagelijks samen met hun kind te lezen. Of als een kind moeite heeft met tafelsommen, dan kunnen ouders thuis door veel te herhalen helpen met het automatiseren (kennis of vaardigheden ophalen zonder lang nadenken).

Vier websites met gratis online oefenmateriaal voor leerlingen uit groep 8:

Drie websites met gratis werkbladen voor leerlingen uit groep 8:

  • Redactiesommen.nl: ‘verhaaltjes-sommen’ rekenen;
  • Sommenprinter.nl: sommen per thema, zoals: verhoudingstabellen en procenten;
  • Taal-oefenen.nl: onder andere werkbladen voor werkwoordspelling, zinsontleding, woordsoorten en woordenschat.

Tafels oefenen:

Engels

Sinds 1986 is Engels een verplicht vak in het basisonderwijs. Een school mag zelf bepalen vanaf welk leerjaar zij hiermee start, maar vanaf groep 7 is dit wettelijk verplicht. Vaak gebruikt een school hiervoor een methode, maar dat is niet verplicht.

SLO heeft de kerndoelen Engels uitgewerkt in leerlijnen voor de groepen 1 tot en met 8. Hierin maken leerlingen vanaf groep één spelenderwijs kennis met de Engelse taal. Leerkrachten lezen bijvoorbeeld prentenboeken voor in het Engels en kinderen luisteren naar Engelse liedjes. Tot en met groep 4 is Engelse les primair gericht op luisteren en spreken. Pas vanaf groep 5 maken kinderen kennis met het schrijven van Engelse woorden. In groepen 7 en 8 wordt er bovendien extra aandacht besteed aan het lezen van Engelse teksten.

Oriëntatie op jezelf en de wereld

Oriëntatie op jezelf en de wereld is een verzamelnaam voor drie zaakvakken: geschiedenis, aardrijkskunde en natuur en techniek. Veel scholen gebruiken vanaf groep 6 lesmethodes voor deze vakken. Maar sommige scholen starten hier al mee vanaf groep 1.

Vaak zijn de vakken geschiedenis, aardrijkskunde en natuur en techniek gebundeld in één methode. Maar er zijn ook lesmethodes per vak. Een lesmethode die meerdere vakken in samenhang aanbiedt is DaVinci. DaVinci gaat over oriëntatie op jezelf en de wereld, de canon van de Nederlandse geschiedenis, 21ste eeuwse vaardigheden, burgerschap, filosofie, levensbeschouwing, techniek en wetenschap. Al deze onderwerpen komen in samenhang met elkaar aan bod.

Hieronder staat wat kinderen in groep 8 globaal leren bij de vakken geschiedenis, aardrijkskunde en natuur en techniek.

Geschiedenis

Op de basisschool bestaat het vak geschiedenis uit tien chronologische tijdvakken; van de prehistorie tot nu. De ‘Canon van Nederland‘, een website voor geschiedenisonderwijs, heeft deze tijdvakken onderverdeeld in vijftig thema’s. Scholen moeten deze thema’s als uitgangspunt gebruiken voor hun geschiedenisonderwijs (Bron: kerndoel 52).

In groep 8 leren leerlingen vaak over de de volgende vier tijdvakken:

  • Pruiken en revoluties, zoals: Napoleon Bonaparte en de patriotten;
  • Burgers en stoommachines, zoals: de eerste spoorlijn en Max Havelaar;
  • Wereldoorlogen, zoals: de Eerste Wereldoorlog en Anton de Kom;
  • Televisie en computer, zoals: de haven van Rotterdam en gastarbeiders.

Aardrijkskunde

In de onderbouw zijn de aardrijkskundige onderwerpen concreet en letterlijk dicht bij huis: verschillende ruimtes en functies thuis, werk in de straat en het dagelijks weer. Vanaf groep 3 verschuift de aandacht al wat verder van huis: mental map van de eigen regio, het weer in Nederland en beken en rivieren in Nederland. In de bovenbouw komen meer abstracte thema’s aan bod en verkennen kinderen de hele wereld. Het gaat onder andere om de volgende thema’s:

  • Mental map van Europa en de wereld;
  • Wereldbevolking;
  • Gemeentelijk bestuur;
  • Polders in Nederland;
  • Tropische regenwouden;
  • Bijzondere gebouwen in de stad;
  • Waterwerken in Nederland;
  • Wereldgodsdiensten;
  • Weer en klimaat.

In dit overzicht van SLO staan de kerndoelen zevenenveertig tot en met vijftig en uitgewerkte leerlijnen voor ‘Ruimte’ in de groepen 7-8.

Natuur en techniek

Ook voor de vakken natuur en techniek zijn kerndoelen vastgesteld. Globaal komen de volgende onderwerpen in groep 8 aan bod:

  • De rol van planten, dieren, schimmels en bacteriën in voedselkringlopen;
  • Werking van de bloedsomloop;
  • Verschillende manieren van voortplanting van planten;
  • Inzicht in welke materialen wel en geen stroom geleiden stroom;
  • Verband tussen weer en seizoen;
  • Constructie van een piramide en een robot;
  • Het dag- en nachtritme in relatie tot seizoenen.

In dit overzicht van SLO staan de kerndoelen veertig tot en met zesenveertig en uitgewerkte leerlijnen voor ‘natuur en techniek’ in de groepen 7-8.

Verkeersexamen

Omdat het verkeer in Amsterdam onveilig is voor kinderen, organiseert de gemeente Amsterdam een gratis theoretisch verkeersexamen voor kinderen uit groepen 7 en 8. Het examen toetst leerlingen op hun kennis van verkeersborden en verkeersregels. Hierbij ligt de nadruk op voetgangers en fietsers.

Op sommige scholen wordt ook een praktisch verkeersexamen afgenomen waarbij leerlingen een route fietsen in de eigen wijk of gemeente. Meer informatie hierover vindt u in de schoolgids. Of informeer bij de leerkracht van uw kind.

Kunstzinnige oriëntatie

In groep 8 krijgen kinderen het vak kunstzinnige oriëntatie. De school besteedt aandacht aan: beeldende vorming (BeVo), dans, drama, muziek en cultureel erfgoed. Zo leren kinderen met textuur diepte aan te geven op het platte vlak en een multimediapresentatie maken. Ook maken zij bij muziekles kennis met de basisprincipes van de traditionele notatie: vijflijnige notenbalk, vorm van de noten, plaats van de noten, vioolsleutel en meerstemmigheid.

Sommige scholen hebben een vakleerkracht voor BeVo en muziek. In andere gevallen geeft de groepsleerkracht hierin les.

In dit overzicht van SLO staan de kerndoelen vierenvijftig tot en met zesenvijftig en uitgewerkte leerlijnen voor ‘kunstzinnige oriëntatie’ in de groepen 7-8.

Bewegingsonderwijs

In groep 8 krijgen kinderen het vak bewegingsonderwijs. Leerlingen leren verschillende bewegings- en spelvormen ervaren en uitvoeren, zoals klimmen in een zwaaiend touw en staand skateboarden vanaf een schuin vlak. Ook helpen zij de leerkracht met het klaarzetten van het materiaal en leren zij een eigen regelovertreding kenbaar maken.

In dit overzicht van SLO staan de kerndoelen zevenenvijftig en achtenvijftig en uitgewerkte leerlijnen voor ‘bewegingsonderwijs’ in de groepen 7-8.

In het bestuursakkoord tussen het ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en de PO-Raad (de sectororganisatie voor het primair onderwijs) is afgesproken dat basisscholen vanaf 2017 minimaal twee lesuren per week bewegingsonderwijs aanbieden. Waar mogelijk streven scholen naar drie uren.

Soms krijgen kinderen bewegingsonderwijs van een vakspecialist (iemand die de Academie voor Lichamelijk Opvoeding heeft afgerond). In andere gevallen krijgen kinderen bewegingsonderwijs van een groepsleerkracht met een zogeheten ‘brede bevoegdheid’ (aanvullende opleiding of Pabo oude stijl).

In dit artikel van de PO-Raad staat meer informatie over bevoegdheid binnen het bewegingsonderwijs.

Metacognitie: ‘leren leren’

Metacognitie is het denken over denken en leren over leren. Het is een krachtige strategie om het leren van leerlingen te verbeteren. Een sterk ontwikkelde metacognitie is gerelateerd aan schoolsucces. Toch besteedt niet iedere basisschool en leerkracht hier evenveel aandacht aan.

Metacognitie bestaat uit twee onderdelen:

  1. Metacognitieve opvattingen en kennis over het eigen leren. Bijvoorbeeld: ‘ik memoriseer, dus ik weet’. Of: ‘ik vind meerkeuzevragen eenvoudiger dan open vragen’. Maar ook: ‘ik leg verbanden, dus ik onthoud systemen’.
  2. Metacognitieve vaardigheden
  • Oriënteren: Kan ik het? Is er genoeg tijd?
  • Plannen: Wat is het doel? Hoeveel tijd heb ik? In welke volgorde?
  • Monitoren: Snap ik het? Wat doe ik? Lukt het?
  • Toetsen: Klopt het antwoord? Heb ik het handig aangepakt?
  • Corrigeren: wat en hoe moet ik het aanpassen?
  • Evalueren: Heb ik het handig aangepakt? Heb ik mijn doel bereikt?
  • Reflecteren: Kan ik dit ook ergens anders voor gebruiken? Welke waarde heeft het voor later?

Op de basisschool leert een kind reflecteren op het eigen gedrag. Daarnaast leert het een nieuwe aanpak te bedenken, die aanpak uit te voeren en daar vervolgens weer op te reflecteren. Hiervoor biedt de leerkracht verschillende strategieën aan, zoals: samenwerken, nieuwe aanpakken uitproberen en niet snel opgeven. Het doel is dat het kind inzicht krijgt in zijn eigen leerproces.

Vanaf een jaar of negen leren kinderen zichzelf steeds beter kennen en zijn ze in staat om te reflecteren op hun eigen gedrag en dat van anderen. Daarom gaan metacognitieve vaardigheden en leerstrategieën vanaf groep 5 een grotere rol spelen. Zo krijgen kinderen in groep 8 vaak regelmatig huiswerk mee, waarbij zij leren plannen en discipline moeten opbrengen.

Van basis- naar voortgezet onderwijs: schooladvies en eindtoets

De basisschool bereidt kinderen voor op het voortgezet onderwijs. Van speelse kleuters die nog niet kunnen lezen en schrijven ontwikkelen leerlingen zich gedurende gemiddeld acht jaar tot beginnende pubers die uitgebreide teksten kunnen lezen en complexe sommen kunnen uitrekenen. Nu de basis is gelegd, is het tijd om het onderwijs ‘voort te zetten’ met het voortgezet onderwijs.

Vóór 1 maart krijgen leerlingen in groep 8 een schooladvies voor het voortgezet onderwijs. Daarbij kijkt de school naar:

  • Aanleg en talenten van een leerling;
  • Leerprestaties, waarbij specifiek de prestaties in groepen 6 tot en met 8;
  • De ontwikkeling tijdens de hele basisschoolperiode;
  • Concentratie, motivatie en doorzettingsvermogen.

Tussen 15 april en 15 mei maken leerlingen in groep 8 de wettelijk verplichte eindtoets. Als het resultaat van de eindtoets hoger ligt dan het schooladvies, moet de school het schooladvies heroverwegen. Dit kan leiden tot een bijstelling van het advies naar boven.

Meer informatie over het schooladvies en de eindtoets vindt u in deze artikelen van OCO: