Wordt mijn kind op de voorschool getoetst?

Volgens de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) zijn voorscholen verplicht om de ontwikkeling van kinderen structureel te volgen. Bovendien moeten voorscholen in Amsterdam deze ontwikkeling registreren in een (digitaal) kindvolgsysteem dat aansluit bij het gekozen vve-programma. Er zijn verschillende volgsystemen voor het jonge kind. De meeste kindvolgsystemen maken gebruik van observatielijsten. Sommige kindvolgsystemen maken ook gebruik van toetsen, waarmee bijvoorbeeld de taal- of rekenvaardigheid wordt gemeten.

Ontwikkeling van het kind volgen

In januari 2018 is de Wet IKK ingegaan. Dit is een wijzigingswet die de kwaliteit en de toegankelijkheid van de kinderopvang regelt. In deze wet staat dat een voorschool de ontwikkeling van elk individueel kind structureel moet volgen. In artikel 4a van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie wordt dit verder toegelicht. Iedere voorschool is verplicht om een pedagogisch beleidsplan op te stellen, waarin beschreven wordt hoe de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en hoe het aanbod van de voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd.

Aansluiting op vve-programma

De gemeente Amsterdam heeft de landelijke eisen voor de voorschoolse educatie aangevuld met een aantal criteria. Zo zijn voorscholen in Amsterdam verplicht om een methode voor voorschoolse educatie aan te schaffen die is opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Daarnaast zijn Amsterdamse voorscholen verplicht om een kindvolgsysteem te gebruiken dat op het vve-programma aansluit. Dit en andere criteria zijn omschreven in het Gemeenteblad van Amsterdam.

Kindvolgsystemen

Er zijn verschillende kindvolgsystemen voor voorscholen op de markt, met ieder zijn eigen kenmerken. Voorbeelden van door het NJi erkende kindvolgsystemen zijn KIJK!, HOREB, Pravoo en Cito voor het jonge kind. Een voorschool kiest een systeem dat het beste past bij haar visie. Dit moet zij goed onderbouwen in het pedagogisch beleidsplan. Voorscholen die ontwikkelingsgericht werken kiezen vaak voor een ander volgsysteem dan voorscholen die programmatisch werken. Ook zijn er volgsystemen die specifiek gericht zijn op één domein, terwijl andere systemen gericht zijn op alle vier de domeinen: taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. Veelgebruikte hulpmiddelen die volgsystemen bieden zijn observatielijsten, toetsen, logboeken en/of kinderdagboeken.

Toetsen en observatielijsten

Voorscholen bepalen zelf met welk volgsysteem ze werken. Afhankelijk van het type volgsysteem wordt een kind wel of niet getoetst. Indien de voorschool bijvoorbeeld het volgsysteem Cito voor het jonge kind gebruikt, zal het kind vanaf drie jaar oud een taal- en rekenentoets krijgen. Naast deze toetsen heeft Cito voor het jonge kind ook een observatielijst die door de pedagogische medewerker wordt ingevuld. Kindvolgsysteem HOREB biedt de pedagogisch medewerker weer andere instrumenten, zoals: een activiteitenboek; een logboek en een kinderdagboek. Een toets maakt geen onderdeel uit van dit volgsysteem. Er zijn ook voorscholen die Cito-toetsen als aanvulling op het kindvolgsysteem gebruiken. Volgsysteem BOSOS biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid cito-resultaten te integreren in het eigen observatiesysteem.

Oudergesprek

Op iedere voorschool worden er jaarlijks een of meerdere oudergesprekken ingepland. Tijdens dit gesprek informeert de pedagogisch medewerker de ouders over de voortgang en ontwikkeling van hun kind. Deze informatie is gebaseerd op gerichte observaties en eventuele toets-uitslagen die in het kindvolgsysteem zijn geregistreerd. Tijdens dit gesprek is er ruimte voor ouders om vragen te stellen.

Inzage kindvolgsysteem

Als ouder hebt u het recht om de gegevens van uw kind in het kindvolgsysteem in te zien. Bij de overgang naar de basisschool worden de gegevens, mits u hiervoor toestemming hebt gegeven, overgedragen aan de nieuwe leerkracht en/of de intern begeleider. In sommige gevallen vindt er een warme overdracht plaats. De pedagogisch medewerker draagt dan het (digitale) dossier over aan de nieuwe leerkracht en licht de inhoud van dit dossier in een gesprek toe. U kunt als ouder aangeven dat u ook bij dit gesprek aanwezig wilt zijn.