Te veel zittenblijvers in Amsterdams voortgezet onderwijs

In het Amsterdamse voortgezet onderwijs blijven jaarlijks meer dan 2.500 leerlingen zitten, omgerekend meer dan 100 schoolklassen. Dat is een treurig resultaat van een schooljaar overwegend hard werken door leerlingen en docenten. Hoewel de Inspectie van het Onderwijs erop toeziet dat scholen niet te veel leerlingen laten zitten, gaan er van de normen van de inspectie weinig ambities uit. Ambitieuzer is het sectorakkoord VO, waarin is vastgelegd dat het landelijke percentage zittenblijvers snel moet dalen van 5,8 naar 3,8 procent. Het merendeel van de Amsterdamse vo-scholen zit daar nog ver boven. Er is een gezamenlijke inspanning vereist van scholen, besturen, gemeente en ouders om het zittenblijversprobleem op te lossen.

Jaarlijks ruim 2.500 zittenblijvers in Amsterdam

Veel scholen in het voortgezet onderwijs betwijfelen het nut van zittenblijven, zo stelde OCO in 2015 al eens vast. Toch komt deze maatregel op bijna alle Amsterdamse scholen voor voortgezet onderwijs voor. In 2016, het laatste jaar waarover cijfers beschikbaar zijn, bleven 2.576 leerlingen zitten. Omgerekend naar het totaal aantal vo-leerlingen was dat er één op de vijftien. In eerdere jaren waren deze cijfers niet gunstiger. Wat daarbij opvalt is dat het percentage zittenblijvers tussen scholen flink varieert, van minder dan drie tot ruim boven de tien procent (zie de tabel in de bijlage). En ook valt op dat de percentages behoorlijk stabiel zijn. Een school met in het ene jaar veel zittenblijvers heeft dat vaak ook in andere jaren. Dat is een aanwijzing dat zittenblijven veel te maken heeft met het onderwijskundige beleid van de school. Sommige scholen leggen er zich kennelijk op toe het aantal zittenblijvers te beperken, andere scholen doen dat niet of met minder effect.

Gevolgen van zittenblijven

Zittenblijven kan in uitzonderlijke gevallen een heilzame maatregel zijn, bijvoorbeeld als een leerling zeer langdurig geen lessen heeft gevolgd. Maar in verreweg de meeste gevallen is doubleren voor alle betrokken partijen een vervelende maatregel, voor doublerende leerlingen waarschijnlijk het meest. Ze zitten een jaar langer op school, ze komen een jaar later op de arbeidsmarkt, ze gaan een jaar met veel herhalingen tegemoet – ook de voldoende vakken moeten opnieuw gevolgd worden – en, niet onbelangrijk, ze raken een deel van hun vriendenkring kwijt.

Voor de samenleving is het kostenaspect van belang. Elke gedoubleerde leerling kost de belastingbetaler ongeveer € 8.500, het bedrag dat de overheid voor een vo-leerling gemiddeld kwijt is. En, in deze tijden niet onbelangrijk, zittenblijvers dragen ook nog eens bij aan het lerarentekort. De Amsterdamse zittenblijvers vereisen een jaarlijks surplus van 160 fte aan docenten in het voortgezet onderwijs.

En wat betekent doubleren voor de school zelf? De school is misschien wel de enige partij voor wie zittenblijven een aantrekkelijke kant heeft. Het maakt het lesgeven voor docenten gemakkelijker, omdat het de niveauverschillen tussen leerlingen beperkt. Docenten hoeven immers minder rekening te houden met achterblijvers.

Weinig ambitie Inspectie

Toch heeft ook voor scholen het doubleren een keerzijde. Als het percentage zittenblijvers te hoog wordt, krijgen scholen te maken met een kritische Inspectie van het Onderwijs. Die ziet namelijk toe op onvertraagde doorstroom, apart in de onderbouw (de eerste twee leerjaren) en de bovenbouw (de volgende leerjaren).

Opvallend genoeg is de inspectie niet heel streng tegenover scholen met zittenblijvers. Het percentage leerlingen dat in de eerste twee leerjaren onvertraagd blijft, hoeft slechts 95,5 procent te bedragen; zie de technische toelichting door de inspectie. Voor bovenbouwleerlingen liggen de verlangde percentages onvertraagde doorstroom per jaar nog lager: 87 procent voor het vmbo, 80 procent voor het havo en 82 procent voor het vwo. Voor scholen met leerlingen uit armoedegebieden liggen de normen aanzienlijk lager. Dit betekent in feite dat de inspectie zich neerlegt bij flinke percentages zittenblijvers en van scholen weinig ambities vraagt om het doubleren terug te dringen.

Risicofactoren voor zittenblijven

Voor doubleren gelden specifieke risicofactoren, omstandigheden die op zittenblijven van invloed zijn, zoals de thuissituatie en de sexe (zie het rapport Zittenblijven in het voortgezet onderwijs van de Inspectie uit 2015). Leerlingen uit armoedegebieden ondervinden veelal minder ondersteuning van hun ouders en de woonsituatie staat vaak niet toe dat het huiswerk in een rustige omgeving gemaakt kan worden. Ook ontvangen deze leerlingen over het algemeen geen bijlessen, simpelweg omdat ouders dat niet kunnen betalen. Het geslacht van leerlingen is een andere bekende risicofactor. Jongens blijven vaker zitten dan meiden. Waarom dat zo is, is niet helemaal duidelijk.

Maar waarschijnlijk de grootste risicofactor voor zittenblijven is het onderwijskundige beleid van de school. De inspectie schreef al in 2015: “Scholen lijken de oorzaken van zittenblijven vooral te zoeken in het falen van de leerlingen. De kwaliteit van de lessen en de leerlingbegeleiding betrekken ze er nauwelijks bij.” Dat verschillen in onderwijskundig beleid ook in de Amsterdamse praktijk een rol spelen komt naar voren uit de gesprekken die OCO met schoolleiders gevoerd heeft, zowel op scholen met weinig als met veel zittenblijvers. Scholen met veel zittenblijvers voeren geen gericht beleid om doubleren terug te dringen. Ze zijn vaak al tevreden als ze aan de inspectienormen voldoen. Scholen met weinig zittenblijvers treffen wel gerichte maatregelen om zittenblijven terug te dringen, ook als de Inspectie al tevreden is.

Maatregelen uit de praktijk om zittenblijven terug te dringen

Praktijkvoorbeelden van gerichte maatregelen om zittenblijven terug te dringen zijn:

  • De inrichting van brede brugklassen waarin gedifferentieerd les wordt gegeven, dit zorgt ervoor dat ook zwakkere leerlingen bij de les kunnen blijven.
  • Nascholing van leraren is een andere optie. Zij kunnen hun pedagogische en didactische kwaliteiten vergroten om in en buiten de lessen maatwerk te kunnen leveren, óók aan leerlingen die dreigen uit te vallen.
  • Er kunnen bijspijkercursussen of bijlessen worden aangeboden aan leerlingen met specifieke tekortkomingen voor bijvoorbeeld Nederlandse taal.
  • Ouders kunnen op school worden uitgenodigd om te horen hoe ze hun kind bij het schoolwerk kunnen ondersteunen.
  • Er kan sprake zijn van een herkansingsbeleid dat erop is gericht, dat leerlingen aan het eind van het schooljaar (bijna) geen onvoldoendes meer hebben.
  • En als het lek dan nog niet boven water is, is er altijd nog de mogelijkheid van de lenteschool of zomerschool waarvoor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op aanvraag subsidie beschikbaar stelt. Leerlingen die dreigen te blijven zitten krijgen twee weken bijles. Lang niet alle Amsterdamse scholen maken van deze mogelijkheid gebruik, terwijl toch uit onderzoek blijkt dat deze vorm van maatwerk effectief is. In 2017 is 88 procent van de deelnemers aan een zomerschool alsnog bevorderd naar het volgende leerjaar.

Terugdringen zittenblijven vraagt om een brede inzet

Onlangs is het sectorakkoord Klaar voor de toekomst tussen het kabinet en de VO-Raad geactualiseerd. Eén van de ambities, de eerste die in de tekst wordt genoemd, is dat in 2020 het landelijke percentage zittenblijvers is gedaald van het huidige niveau van 5,8 procent tot 3,8 procent.

Van de achtenvijftig scholen die in de tabel in de bijlage zijn opgenomen zijn er negentien die – gemiddeld over drie schooljaren – het streefpercentage van 3,8 procent (of nog minder zittenblijvers) hebben gehaald of bijna gehaald. Veel Amsterdamse VO-scholen zitten daar nog ver vandaan.

In de onderwijsparagraaf van het coalitieakkoord Amsterdam 2018 Een nieuwe lente en een nieuw geluid is het tegengaan van kansenongelijkheid het hoofdthema. Omdat zittenblijven vaker voorkomt bij leerlingen in een achterstandsituatie ligt hier ook voor de gemeente een uitdaging. Daarvoor is inzicht nodig waarom scholen zo enorm verschillen in het percentage zittenblijvers. Onderzoek naar het onderwijskundige beleid van scholen kan de handvatten leveren om zittenblijven vergaand te reduceren. Als Amsterdam voorloper wil zijn resteert er weinig tijd tot 2020.

Meepraten door ouders en leerlingen

Tot slot, ook ouders kunnen door druk te zetten een bijdrage leveren aan het terugdringen van zittenblijven. Ze kunnen bijvoorbeeld in gesprek gaan met de school over het beleid ten aanzien van zittenblijven. De uitkomsten van zulke gesprekken kunnen van belang zijn bij schoolkeuze. Maar ook ouders en leerlingen in de medezeggenschapsraad kunnen het schoolbeleid rond doubleren aan de orde stellen.

Bijlage met percentage zittenblijvers per school

Zie de gegevens per school in bijgaande tabel met percentages zittenblijvers in het Amsterdamse voortgezet onderwijs (pdf bestand).