Wat meet een capaciteitenonderzoek (CAP)?

Het capaciteitenonderzoek (CAP) is een intelligentieonderzoek. Het capaciteitenonderzoek wordt uitgevoerd bij leerlingen die een leerachterstand van meer dan 25% op de klas hebben op het gebied van rekenen of begrijpend lezen en nog een ander leerdomein. Met een intelligentieonderzoek wordt onderzocht hoe een leerachterstand is ontstaan. Ouders geven toestemming voor de afname van dit onderzoek.

Voor wie?

Het capaciteitenonderzoek (CAP) is een intelligentieonderzoek. Een capaciteitenonderzoek wordt afgenomen bij leerlingen die minimaal een leerachterstand van 25% op de klas hebben, waarbij tenminste:

  • inzichtelijk rekenen
  • begrijpend lezen
  • één ander leerdomein (technisch lezen óf spelling)

Waarom deze toets?

Met een intelligentieonderzoek wordt onderzocht hoe een leerachterstand is ontstaan. De CAP wordt alleen afgenomen als een leerachterstand is vastgesteld aan de hand van een leerachterstandentest. Bij enkel een vermoeden van een leerachterstand mag een CAP niet worden afgenomen. Meer informatie over de leerachterstandentest is te lezen in het artikel Wat meet een leerachterstandentoets (LAT)?.

Afname van de test

De basisscholen kiezen zelf een geschikte toets. De toets moet wel zijn erkend door het ministerie van OCW. In Amsterdam wordt de Adaptieve Digitale Intelligentietest gebruikt. Deze toets wordt digitaal afgenomen op een laptop of tablet. Dit intelligentieonderzoek toetst op digitale en adaptieve wijze zeven onderdelen. Een leerling is ongeveer 1,5 uur bezig om de toets te maken. Het onderzoek levert een IQ-score op.

Zonder toestemming, geen afname toets

Voor afname van de CAP moeten ouders toestemming geven. De school gebruikt hiervoor een toestemmingsformulier. Het gaat namelijk om een psychologisch onderzoek. De intelligentietest geeft duidelijkheid waardoor een leerachterstand is ontstaan, maar is niet noodzakelijk voor de school om onderwijs te geven of een schooladvies voor het middelbaar onderwijs te geven.

Ondersteuningsbehoefte

Als uit de CAP blijkt dat praktijkonderwijs of vmbo met lwoo het beste is voor een leerling, dan wordt dit verwerkt in het schooladvies van de basisschool. Er is dan sprake van een extra ondersteuningsbehoefte. De middelbare school mag geen aanvullende toetsen afnemen bij de toelating van de leerling (art. 27 lid 1c WVO). De school beslist over de toelaatbaarheid van de leerling op basis van de informatie van de basisschool of onderzoekt de ondersteuningsbehoefte met toestemming van de ouders.